Mijn foto

Laatste reacties

web-log.nl, powered by TypePad

18 februari 2006

Lena


Mijn liefde heet Lena. Ze is teveel om op te noemen.
Ik heb begrepen dat je voor het vertellen van een goed liefdesverhaal één, hooguit twee eigenschappen van je grote liefde mag noemen, dat is genoeg .
Lena is dan dus lief en grappig, hoe cliché wil je het hebben?!
Ze heeft een huidje als een onbetreden strand, sneeuw waar ook nog niemand op gelopen heeft, koffie waar de melk nog niet doorheen is geroerd.
Haar haren glanzen alsof ze gecrèmespoeld zijn met vloeibaar goud.

Ik zal je nu vertellen hoe ik Lena heb leren kennen. Ik had al eens van haar gehoord, maar toen kende ik haar nog niet, al voelde ik me wel al meteen verbonden met haar. Ik had het gevoel dat we tweelingzielen waren en erg veel op elkaar leken. Hoewel ik weinig van haar wist, was dat gevoel toch sterk.
Ik leerde haar kennen door mijn ex- vriend Bouke. Ze bleek dezelfde blauwe ogen als hij te hebben. Dezelfde haarkleur ook.
Bouke leerde ik kennen via een vriend, Simon, die in een coffeeshop werkte. Toen ik daar een bakje dronk zag ik hem zitten en ik dacht: ' Wat een mooie ogen'. Weer erg cliché maar toch waar! Ik had spijt dat ik niet aan hem gevraag had met me mee te gaan om ergens een biertje te gaan drinken. Toen ik over de donkere gracht weg fietste besloot ik dat ik Simon zou sms-en, zodat hij Bouke mijn telefoonnummer kon geven. Zoiets doe ik normaal niet maar nu wist ik dat ik spijt zou krijgen als ik het niet zou doen. Ik wilde Bouke beter leren kennen. Hij belde al snel, we werden verliefd. Ik had toen nog niet van Lena gehoord. We hadden een onbezorgde, heftige, verliefde tijd met als hoogtepunt een weekend kamperen op een camping van Staatsbosbeheer in Veere, Zeeland. We bedreven de liefde onder de bomen en ademden de zilte weewind in. Na ongeveer zes zinderende weken had ik inmiddels wel een keer ongesteld moeten worden. We kochten een test, er zou toch niets aan de hand zijn want verliefdheid doet rare dingen met hormonen. Bovendien hadden we het toch bijna altijd wel veilig gedaan. Voor we die avond met Simon naar de kroeg zouden gaan zou ik er wel even overheen plassen. We kregen de slappe lach en gingen naar de kroeg.
Op dat moment kwam Lena in mijn leven en zo groeiden we naar elkaar toe. Ik heb haar twee keer live op televisie gezien. We hadden vooral veel contact via onzichtbare kanalen, maar ik kon niet wachten op het moment dat ik haar in mijn armen zou kunnen houden. Iemand voorspelde dat ik haar op 7 februari 2005 in het echt zou zien. Dat klopte. Het was tot op het laatste moment spannend op welke plek we elkaar zouden ontmoeten.
Die dag werd ze om 19.18 uur in een ziekenhuisbed geboren. Mijn grootste liefde.

12 juni 2005

Verhalen

Zij


De man zit in zijn stoel. Hij tikt met zijn nagels op de leuning. De plek is afgesleten. Hij kijkt naar buiten. Hij ziet het park. Hij denkt dat het herfst is. Er liggen rode en gele bladeren op het gras. De regen tikt tegen het grote rechthoekige raam. De man zit in zijn aquarium gevuld met droge lucht. Achter hem hangt een kastje aan de muur met foto's. Hij denkt dat het bijna kerst is. Want de lucht ruikt niet naar de lente, denkt hij. De plek op de leuning is kaal. Alle lak is er af en ook de bruine verf. De stoel is niet van echt eikenhout. Het hout dat de man heeft vrijgemaakt met zijn nagels is lichter van kleur. Het hout komt uit de tropen. Echter, dat doet er niet toe.

Eens was er zonlicht. Het leek altijd lente.
De man fietst in de zachte wind. Zijn haren worden door de lucht gestreeld. Sproeten op zijn vel. Hij denkt dat de lente eeuwig is. Hij is nog een jongen. Het meisje staat al bij het hek. De wind speelt met haar rokken. Een lok is haar, strak naar achteren gebonden, haar ontsnapt. Ze kijkt omlaag. Hij gooit zijn fiets langs de slootkant. Hij tilt haar kin op. Zijn blik trekt haar oogleden omhoog. Het geurt alleen lente.

De man herinnert zich het telkens in zijn stoel. Het meisje strijkt door zijn haar. Hij huilt om de herfst in zijn blikveld. Zij is anders dan hij. Haar schoonheid kan hij niet verdragen.
Zijn nagels boren zich dieper in het hout.
Zij is bij hem en nooit vindt de man rust. Hij zit in zijn stoel en zij zit in hem. Zij heeft hem haar leven geschonken zodat hij in zijn stoel kan zitten.
Het park verliest zijn bladeren, de man zijn verstand.


De trap

Langzaam zet ze haar voeten op de stoffige treden. Er klinkt een zacht knerpend geluid en dan een doffe dreun van de deur die in het slot valt. Het is donker binnen in de toren. Ze draait zich om, zonder erbij na te denken, sloft dan weer moeizaam verder de trap op. Het lijkt oneindig. De trap wentelt zich als een slakkenhuis naar boven, lijkt smaller te worden naarmate de vrouw stijgt. Ze schuurt met haar schouder tegen de muur. Ze vloekt : 'verdomme'.
Buiten giert de wind om de toren. De vrouw hijgt. Ze hijst haar rok op en buigt even wat voorover. Na elke tien treden moet ze stoppen. Ze leunt met een hand tegen de muur en wrijft het haar uit haar ogen. Dan vermand ze zich weer. Nu nog vier treden, nog drie.
Nu raken haar voeten het wollen kleed. 'Ben jij het?' zegt een diepwarme, hese stem. Ze fluistert schor: 'Ja ik ben het'. Ze zet nog twee stappen en laat zich zakken op het schapenvel voor de kachel en krult zich op.
'Ik maak thee voor je', zegt de stem die uit de hangmat komt. De vrouw draait zich op haar rug en strekt haar armen uit. 'Ik kon de weg niet goed meer terugvinden' zegt ze. De stem zwijgt. Dan klinkt er het geluid van voetstappen op zachte ondergrond. De vrouw ligt nog steeds met haar armen gespreid en haar ogen gesloten. Ze voelt een zacht gekriebel in haar oksel en dan een hoofd wat zich daar te ruste legt, een warme hand op haar buik, tenen tegen haar enkels.
'Je hoeft niet bang te zijn dat je me niet terug zal vinden'. De vrouwe voelt een stekende pijn, alsof hij alle lucht uit haar borstkas zuigt. Even maar, dan lijkt de hand op haar buik haar adem weer tot terug te duwen. Nu kijkt ze naar hem.'Ik zal thee zetten', zegt hij nu nog een keer. 'Nee, blijf nog even liggen'. Ze sluit haar ogen.
Dan staat de man op en gaat water halen.
Een zwarte vogel zweeft krijsend in steeds groter wordende cirkels om de toren.

Sinaasappels

Ze hield van sinaasappels. Zij hield van alles met een sinaasappelsmaak. Het was natuurlijk begonnen bij de vrucht. Ze hield van de gladde glimmende schil met de minuscule kraters erin, als bij een golfbal.
Ze vond het prettig zachtjes over de tafel te rollen met de sinaasappel onder de palm van haar hand. Daarna het pellen, waarbij het sap haar tegemoet sprietste.
Dat bekoorde haar iets minder. Ze vond de zilverachtige schilfertjes die op haar vingers achterbleven niet prettig. Maar het lostrekken van de witte zachte velletjes onder de groffe schil vond ze wel fijn.
Voorzichtig brak ze de sinaasappel dan in twee helften en trok de witte draadachtige kern uit het midden. Ze rook even aan een helft. Dan trok ze met duim en wijsvinger een partje los en stopte het in haar mond. Ze sloot haar ogen. Ze kauwde een keer het sap verspreidde zich in haar mond. Een klein straaltje liep uit haar mondhoek. Ze kauwde een paar keer en likte haar mondhoek schoon.
Ze voelde het zoete sap in haar keel glijden, de kruidige smaal had bezit genomen van haar tong, haar gemelte en ze slikte door. Jammer.
Ze pakte een tweede stukje.
Ze hield ook van sinaasappelthee. Ze liet elke slok rondzingen in haar mond tot de smaak gewoon werd. Dan slikte ze door en nam een nieuwe slok.
Ze verzamelde alles wat met sinaasappels te maken had.

Er stond een klein meisje bij de ingang van het schoolplein. Haar vader had haar gebracht. Ze keek naar hem omhoog. 'Dag meisje, fijne dag vandaag'.
'Dag papa, tot vanavond'.
Ze bleef wachten, het vaste ritueel begon.
'Wacht even nog één raadseltje' zei haar vader.
'O.k.'zei het meisje
'Het is rond, je kan het eten en het is geen koekje'.
'Een koekje'.
'Nee het is geen koekje zei ik toch'
'Een koekje dan?'
'Neehee, geen koekje'
'Het is....Het is.....'
Haar vader deed alsof hij een toverstukje in zijn hand had en zwaaide ermee over zijn actekoffer heen en weer. Met een snelle zwaai klikte hij het open en toverde een sinaasappel tevoorschijn.
Het meisje pakte hem aan en boog diep. Daarna glimlachte ze naar haar vader en rende de school in.


Aarde

'Zo dus.', zei de man.
'Ja zo', zei de vrouw, en keek hem in de ogen zonder te knipperen.
'Dat is alles wat je te zeggen hebt?'
'Ja', zei de vrouw.
Ze draaide zich om. Hoe lang de stilte had geduurd in de dure designkeuken met het felle licht, ze had niet op de klok durven kijken.
Ze had ervan genoten. Elke schep. Elke armbeweging, elke zweetdruppel. De spierpijn die ze nu had was een genot.
Die ochtend was hij naar zijn werk gegaan. Ze stond altijd tegelijk met hem op. Ze had de lamellen opengedaan, de warme kraan aangezet en de vloerverwarming gecontroleerd. Haar taken waren duidelijk. Ze vond de structuur prettig en hij ook.
Hij was attent voor haar, naam sieraden voor haar mee, een shawltje maar nooit bloemen want die verlepten maar. Hun woning had geen verdiepingen, trappen lopen vond de man overbodig.
Ze hadden geen tuin, wel een betonnen terras met een zwembad.
Toen hij de deur uitging stond ze zoals altijd voor het raam om hem uit te zwaaien. Ze stond nog te zwaaien toen hij de hoek al om was, in gedachten verzonken.
Ze had niet in de gaten dat er een container met zwarte aarde voor was komen rijden. Ze zwaaide nog steeds en de man in de wagen zwaaide terug om haar te groeten.
Een andere man was uitgestapt bij de laadbak en gaf een draai met zijn arm in de lucht en brulde: 'draaien'.
De vrouw stond nog steeds voor het raam. Nu zwaaide ze niet meer maar stond verstijfd te kijken hoe de laadbak met een piepend geluid omhoog kwam. Op een teken van de man ging de klep open. Een grote berg aarde lag op de oprit van de vrouw.
Met hetzelfde piepende geluid draaide de bak weer omhoog. De jongen stak zijn duim omhoog naar de vrouw en zwaaide. Verbijsterd zwaaide de vrouw terug.
Ze liep naar de voordeur en opende deze. Een hoopje aarde viel naar binnen, over haar pantoffels heen. Ze snoof de geur op en vond het heerlijk.
Ze rende naar het schuurtje om de kruiwagen en de schep te pakken.
Ze begon de kruiwagen vol te scheppen en reed ermee naar binnen. Ze begon achter in het huis.
En verspreidde de aarde gelijkmatig over de vloer. Ze kon er niet mee stoppen, koortsachtig ging ze door tot de hele vloer bezaaid was, zelfs het vloerkleed had ze bedekt.
Toen was het klaar. Jammer.
Ze zette de spullen terug in de schuur, pakte de bezem om de oprit schoon te vegen, haalde de beste fles wijn uit het rek, ging op de bank zitten en dronk rechtstreeks uit de fles.
Zo bleef ze zitten wachten tot haar man thuis zou komen.


De druppel

Het meisje voelde het aan de sfeer om haar heen. Er hing een spanning, een verwachting naar iets anders in de lucht. Iets dat de hele boel zou opklaren. De vogels hielden op met hun gefluit, de zwaluwen gleden verder naar beneden. Daar zag ze het aan, er zou regen komen. Toen ze het vel achter in haar nek voelde rimpelen terwijl ze naar de wolken keek, zag ze de donkere lucht driegend aan komen waaien. Ze had net een shaggie gerookt dat haar niet smaakte en voelde de bittere smaak in haar keel. Ze schraapte deze en stak haar hoofd uit het raam. Het raamkozijn klapperde terug tegen haar hoofd. Ze vloekte. Een voorbijganger keek naar boven vanuit het kleine steegje waar ze woonde. Ze tikte, de man negerend, de as van haar sigaret. Ze had toch maar een nieuwe gedraaid, iets beters wist ze ook niet. Toen ze weer omhoog keek naar de lucht, knipperde ze met haar ogen, de eerste druppels kwamen op haar gezicht terecht, alsof ze haar sproeten wilde tellen, met lange waterhanden.
Ze gooide haar hoofd nog verder in haar nek en liet het over haar heen komen.

De jongen had haar direct gezien, dat had hij haar achteraf verteld. Hij had haar al eerder gezien, maar nog nooit zo. Ze had gedanst en hij had het gevoel gehad dat zij alleen voor hem danste. Alleen zij was daar. Zij had hem niet gezien. Wel gezien, maar niet op de manier als hij haar had gezien. Haar rokje leek te zijn geschilderd met satijn. Het was alsof een schilder terplekke haar bijwerkte, haar losse haren met stevige vegen neerzette in de lucht. Ze was een prachtig schilderij, dat telkens veranderde. Haar lippen leken op het fruit uit reclames. Met vochtige frisse bolletjes water erop. Hier had ze later om moeten lachen. Hij begreep niet waarom. Zo was het voor hem. Die avond had hij telkens gedacht, zij is van mij, niemand zal haar liefhebben, iedereen mag haar begeren. Dat had hij haar nooit gezegd. Die avond was ze dronken geworden. Hij had haar opgevangen en ze was hem als een mak schaapje gevolgd. Ze kende hem al, weliswaar vaag, wat maakt dat uit als je dronken bent.
Hij had haar uitgekleed en op bed gelegd. Had de hele nacht naar haar gekeken. Terwijl zij giechelde, hem probeerde te kussen en te strelen terwijl hij haar van zich af duwde, tot ze in slaap viel. Ze was nooit meer weg gegaan. Hij gaf haar alles wat hij verlangde.

Ze werd natter en natter, terwijl ze in het open raam stond. De regen liep langzaam van haar rug naar haar bilnaad. Ze merkte het niet meer, lachend genoot ze van de douche die ze kreeg. Ze wilde niet stilstaan, maar vergeten. Steeds weer elke seconde die ze leefde vergeten. Telkens opnieuw, steeds een nieuwe druppel. De emmer was bijna vol. Ze wist dat als de emmer zou overlopen zij het ook zou doen.

Hij keek omhoog en zag haar, roerloos als een standbeeld staan, zonder uitdrukking op haar gezicht, haar hoofd, nog steeds, geheven in de nek.. Hij graaide naar de huissleutel en stak hem in het slot. Hij paste niet meer. Boven hem hoorde jij dat de kozijnen werden dicht gedaan.

5 juni 2005

Drakenverhaal

DRAKEN
Rinske Kegel

In een grote glibberige grot wonen twee woeste, wilde draken. Lelijk, vol puisten en stinkende wonden. Een mannetje en een vrouwtje. Houwjebek en Zwijgje. Ze wonen in een streek die eens bewoond is geweest door mensen maar iedereen is er weg getrokken. Nu is het een onherbergzaam gebied met kaalgeschroeide bomen, rotsachtige bergen en stinkende zwavelpoelen. Dit drakenpaar is intens, intens gemeen. In al die honderden jaren hebben ze zoveel afschuwwekkende streken uit gehaald dat een mens er nooit in zijn leven een boek over kan schrijven omdat één leven te kort is om deze gruweldaden te beschrijven. Nu leven draken ook erg lang, té lang zou je wel kunnen zeggen.

Op een dag gebeurt er daar zoiets geks. Op een nevelige ochtend ligt er in een hoekje van die groezelige grot op het stro een prachtig roze baby. 'Tatatata' zegt het tegen de Houwjebek die slaapdronken uit de grot komt. Van schrik komt er een stevige rookwolk uit de knoestige neusgaten van Houwjebek, de mannetjesdraak. Hij is direct klaarwakker. Zwijgje, de vrouwtjesdraak komt terstond aangewaggeld, onderwijl dikke flubberige scheten latend. Door de rokerige, stinkende hal van de grot loenst het vrouwtje naar de baby. Het steekt een roze armpje uit en pruttelt wat met haar rode lipjes. Zwijgje brult zo hard dat het in de rest van de wereld gaat onweren en hittegolven tegelijkertijd.
'Wat is dat' brult ze met overslaande stem 'dit had ik niet besteld'.
'Tja' mompelt Houwjebek 'dat weet ik ook niet'. De twee draken stampen vertwijfeld heen en weer in de grot. De baby geniet van deze rondedans en beweegt mee met haar armpjes.
Woest wordt Zwijgje hiervan. Ze is bang voor dit onbekende machteloze wezen dat nu van haar afhankelijk is.
'We gaan het opeten' zegt Houwjebek die de verwardheid in de vorm van gespannen paarse, kloppende aderen in de nek van zijn vrouwtje, tevoorschijn ziet komen.
Hij pakt het kleintje op wat meteen zwart wordt van het roet. 'Tadaddada'roept het blij.
'Laten we het braden' zegt Zwijgje. 'Ja goed idee' zegt Houwjebek.
Onhandig houd hij het kindje vast en zet het dan weer terug om een vuurtje te maken.
' Nee', zegt Zwijgje opeens. Ze herinnert zich opeens weer haar gruweldaden uit de tijd dat er nog mensen in het duistere gebied woonden. Ze lacht in haar vuistje. Jeetje mineetje dat was me een doldwaze tijd. Wat hebben ze toen gelachen. Die prinses die ze gevangen hadden en waar ze toen met al die mannen die haar wilden redden gingen kegelen. Of huizen van mensen onverwacht optillen. Of net als het koren klaar was om geoogst te worden er even lekker over heen stomen. Die keer dat ze het dak van de plaatselijke sauna hadden opgetild en al die naakte mensen zich gillend moesten verstoppen. Zwijgje houd haar uitgelubberde drakenbuik vast van het lachen. Houwjebek lacht mee hij herinnert zich ook nog die keer dat ze alle kinderen van de dichtstbijzijnde stad midden in de nacht uit hun bedden hadden gehaald en lekker hadden gebraden op de barbecue. Levend. Och wat was dat een grappig gezicht, al die huilende, schreeuwende, dansende kinderen op hete kolen.
'Met dit mensenkind kunnen we een hoop lol beleven', zegt Zwijgje. Ze pakt het kind op en kijkt nog even argwanend om zich heen.

De avond daalt over het onherbergzame land. Zwarte nevelswolken bedekken de toppen van de bergen. De twee gruwelijke draken besluiten er een nachtje over te slapen.
De baby blijft lachen en kirren. Zwijgje blaast een grote rookwolk naar het kind. De baby hoest en wordt terstond pikzwart.
Zwijgje stoot een krakerig giecheltje uit. Ze pakt een smoezelig stukje stof en rolt de zwart geworden baby erin.
Tenslotte moet het kind in leven blijven willen ze er nog lol aan kunnen beleven. Houwjebek bindt de doek stevig om het, inmiddels slaperige kind, heen met een ijzeren ketting, je weet tenslotte maar nooit.

Het kindje begint zachtjes te huilen. Zwijgje heeft haar armpjes onder de ketting vastgebonden en nu kan ze niet op haar duim sabbelen.
Houwjebek schreeuwt tegen het kind: 'hou je bek' en gaat met zijn vieze, bedorven adem boven het kind hangen en laat een knetterende boer.
Groene, mistachtige slierten zweven boven het kleine mensje. Het is nu even stil. Het arme kind kan bijna geen adem meer halen. Zwijgje brult weer van de pret. Haar vette buikkwabben dansen op en neer. In haar navel groeien kleine zwammetjes, die ook meedeinen op het geschok.
Dan, heel even, bedenkt ze dat het kind misschien honger heeft. Ze scheurt een stukje vlees van het gedroogde varken dat in de hoek, met een touw om de nek, aan de muur hangt, en geeft het aan het kind.
'Tadadada' zegt het roze wezentje en pakt, met het vlees, ook de lompe poot van Zwijgje vast.
Daar wordt Zwijgje zo kwaad om dat ze de baby pakt en aan de ketting begint rond te slingeren. Nu is het de beurt aan Houwjebek om loeihard te lachen. Het groene drakenzweet loopt lang zijn schurftige nek in slijmerige draadjes naar beneden.
Zwijgje heeft intussen de smaak te pakken en probeert loopings met het kind te maken. Ze is helemaal door het dolle heen. Ze rent naar buiten, naar de modderige drinkpoel, en draait nog wildere rondjes waarbij het kind steeds door de poel heen getrokken wordt. Houwjebek kan het opeens niet meer uitstaan dat Zwijgje zo'n pret heeft en trekt de ketting uit haar handen.
Het kindje is stil, vies en wonderbaarlijk rustig. Het brabbelt en heeft de oogjes half toe.
Houwjebek bedenkt dat, als hij óók nog veel lol wil beleven, hij het kind nu maar moet laten slapen. Hij gooit het kind op een stapel bedorven bladeren in de hoek.
Zwijgje giechelt verontwaardigt wat na, paarse stoom uitpuffend.

Mijlen, mijlen verderop zweeft een grote blauwe vogel, luid schreeuwend over het land.
Het is een ongeluksvogel. Deze vogels zijn er niet veel. Maar als je ze in hun gloeiende ogen kijkt, brengen ze ongeluk. Deze vogel, Pech genaamd, heeft de roze baby bij de draken bezorgd. Dit kleine prinsesje heeft met haar onschuldige ogen Pech aangekeken toen hij over het land vloog en hij heeft haar meteen meegenomen. Het land van Koning Jan-Eerlijk en Koningin Harmonique.
Ze zagen Pech met het hun meisje wegvliegen en konden niets doen dan machteloos toekijken. Inmiddels heeft koningin Harmonique vele van haar ravenzwarte haren van verdriet uitgetrokken. Koning Jan-Eerlijk, die het verdriet van zijn vrouw niet kan aanzien, is een grote zoektocht begonnen naar zijn ontvoerde dochter.

Het is een mistige ochtend. Zwarte kraaien cirkelen boven de drakengrot, schorre kreten makend. De baby slaapt. Het is haar gelukt een handje uit de touwen te krijgen en vredig licht ze te pruttelen. De draken slapen ook nog. Ze halen diep en gorgelend adem. Af en toe ontsnapt hun een walmende scheet die de muur van de grot nog zwarter maakt. Steeds meer kraaien verzamelen zich en cirkelen krassend boven de grot. Het zijn er meer dan anders.
Alsof ze aanvoelen dat er een verandering is opgetreden in het saaie, doch afschuwelijke, leven van de twee draken.
Zwijgje wordt langzaam wakker. Ze opent één oog. Nadat ze het slijm eruit heeft gezwabberd kijkt ze chagrijnig rond. Dan opent ze ook haar andere oog. Ze plukt de korsten uit haar ooghoek en schreeuwt luidkeels: 'rotvogels, ga ergens anders vliegen'. Hijgend en puffend waggelt ze naar de ingang van de grot en zwaait wild met haar korte dikke poten.
De kraaien stuiven hard lachend uiteen. ' Hou je bek, hou je bek, stomme krengen' schreeuwt ze. Houwjebek strompelt woedend naar buiten. Zelfs uit zijn poriën komt stoom. Hij zegt:' ik wil uitslapen en nu roep je me, zodat ik wakker ben geworden'. Zwijgje zegt: 'ik riep je helemaal niet, ik zei tegen die béésten dat ze hun bek moesten houden'. Dreigend staan de twee misvormde wezens tegenover elkaar. Rook komt uit hun neusgaten. Voor een moment is het doodstil. Dan klinkt er een zacht gehuil. De kleine prinses is wakker geworden. Zwijgje en Houwjebek grommen kwaadaardig en dribbelen op een drafje terug de grot in.
Ze zijn hun belachelijke ruzie alweer vergeten. ' De pret kan beginnen', zegt Houwjebek. Hij grijpt de baby bij een van haar beentjes en houd haar in de lucht. Het arme kind hangt huilend op haar kop terwijl Zwijgje smachtend naar het tweetal kijkt. Het kwijl druipt van haar gebobbelde drakenlippen. Dan valt er iets op de grond. Het maakt een rinkelend geluid.
Zwijgjes ogen beginnen direct te glinsteren. Houwjebek gooit de baby achteloos op de bladerstapel in de hoek. Ze storten zich tegelijkertijd op het glinsterende voorwerp. Houwjebek probeert het als eerste te grijpen. Zijn poten zijn te lomp om het beet te pakken. Slijmerig zegt Zwijgje: 'zal ik het pakken, zoetje van me'.
Als het er op aan komt zijn, deze soort, draken zo egoïstisch dat ze ook elkaar af zullen vallen op momenten die hun gevoelige snaar raken. Goud is zo'n gevoelige snaar.
Eeuwenlang hadden ze dit al niet meer mogen aanschouwen, En nu ligt er een glimmend medaillon op de vloer. Dit had steeds verborgen gezeten onder het hemdje van de baby.
Zwijgje wordt zo week van dit kostbare sieraad dat ze op de grond zakt en de halve vloer onderkotst met bloederig slijm. Houwjebek schreeuwt: 'raap nou op, domme doos'. Snel grist ze het voorwerp van de grond en hobbelt naar buiten met de hete adem van Houwjebek in haar nek. Onhandig houd ze het in de eerste stralen van de zon die voorzichtig door de mist breekt. 'Wrraaabroehaaaaaaa', zegt Houwjebek.' Oeehhhoeoerrrrrrrrrrrrr' zegt Zwijgje.
Dan blijft het een hele tijd doodstil. Kwijlend en smachtend kijken ze naar het bungelende medaillon dat schittert in de zon. Na een hele lange tijd laat een van de kraaien, die belangstellend het vreemde tafereel heeft bekeken, van verbazing het kwartje dat hij ergens had gejat uit zijn bek vallen. Als het kwartje voor zijn neus op de grond valt zegt Houwjebek: 'deze baby moet wel een prinsesje zijn. Haar vader en moeder zullen haar zoeken'. Zwijgje begint gorgelend te schuddebuiken. Ze kan bijna niet meer uit haar woorden komen en komt adem te kort: ' nog meer mensen, wat een lol kunnen we hieraan nog beleven'. Ze waggelt naar binnen om het kindje te halen.
Houwjebek schreeuwt haar achterna: ' dom blondje, we kunnen goud vragen in ruil voor het kind. We moeten het in goede staat houden'. Hij blaast een zwarte rookwolk naar Zwijgje en grijpt met zijn tanden het medaillon uit haar poten en hangt het aan de hoogste spijker in de grot, waar Zwijgje niet bij kan. ' Hou dat kind een beetje warm', zegt hij tegen zijn vrouw, 'ik ga eten halen'.
Als hij weg is probeert Zwijgje, nadat ze het kind in oude doeken heeft gewikkeld, de ketting te pakken door ernaar te springen. Dat lukt niet. Haar kwabben blubberen op en neer en ze snakt naar adem. Piepend blijft ze in een hoekje liggen.
Ze bedenkt dat ze maar beter samen kan werken met Houwjebek. Zonder hem zou ze ook niet kunnen leven.
Deze drakensoort kan niet lang zonder partner leven, ze moeten elkaar blijven voeden met boze plannetjes en wraakzuchtige neigingen. Zo krikken ze elkaar op. Als ze alleen gevoed worden door hun eigen ellende drogen ze langzaam (dit kan jaren duren) van binnenuit op tot er enkel een verschrompelt velletje overblijft. Als ze bij elkaar blijven is wel de consequentie dat ze nog een ietsepietsie menselijk gevoel over houden.

Mijlen, mijlen verderop draven in een ritmische cadans vier koninklijke ruiters door het bos. Ze zijn getooid in zilveren harnassen. Een van hen is anders gekleed, hij draagt een harnas van goud. Hij kijkt koortsachtig om zich heen. Voor zijn ogen het beeld van zijn prachtige eerstgeborene in de armen van zijn mooie vrouw.
Koning Jan- Eerlijk is een speurtocht begonnen, op zoek naar een spoor van zijn dochter en naar het spoor van vogel Pech.
Ongeluksvogels hebben vaak last van veeruitval. Ze zijn eigenlijk altijd in de rui. Voor de zoekers naar de kinderen die ze soms ontvoeren is dit een voordeel. Ze moeten op zoek gaan naar de blauwe veren. Natuurlijk moet men wel rekening houden met Jan de wind, die er van houd om met jan en alleman een spelletje te spelen. Een veertje is zo een mijl verplaatst.
De ruiters volgen hem, in volle galop. Het loopt al tegen de middag en ze hebben nog niet gerust. Koningin Harmonique heeft de zadeltassen gevuld met lekkernijen. De koning lijkt echter geen honger of dorst te voelen. Onverstoorbaar, met zijn scherpe blik gefocust op alles wat anders is, rijdt hij onvermoeibaar voort. Een van de ruiters stuurt zijn paard in de richting van de koning, tot hij ernaast rijdt. 'Majesteit, mijn mannen zijn vermoeid en hongerig, laat ons een weinig rusten'. De koning fronst even met zijn wenkbrauwen en knikt dan peinzend.
' Even dan, even maar'. Ze rusten uit op een open plek langs een klein stromend beekje. Koning Jan- Eerlijk loop rusteloos, op een stukje brood kauwend, heen en weer. Dan krijgt hij de kraai in de gaten die al een tijdje boven hun hoofd aan het heen en weer vliegen is.
De kraai maakt geen geluid, dat kan hij niet omdat hij een blauw veertje in zijn snavel heeft. De ogen van de koning lichten heel even op. ' We gaan verder, dit is het eerste teken van mijn dochter'. Een traan rolt uit zijn oog. Maar dat zien de ridders niet. Met nieuwe moed en volle maag, behalve de koning, trekt de groep verder het land in.
Langzaamaan wordt de bebossing minder en verschijnen er meer grote rotsen in het landschap.

Houwjebek is op jacht naar voedsel, naar wilde varkens om te kelen, te roosteren en op te vreten. Als hij eraan denkt moet hij al watertanden. Dan bedenkt hij zich dat die kleine, verwende prinses dat vast niet zal lusten. 'Melk, een baby drinkt melk', mompelt Houwjebek.
Ook drakenbaby's drinken melk. Al lijkt deze melk in geen velden of wegen op mensenmelk.
Drakenmelk is scherp, bitter en heet als kolen. Als een drakenkind van deze soort nog geen melk heeft gedronken is het in en in goed. Er schuilt dan nog geen greintje kwaad in. Bij de eerste druppel drakenmelk wordt alle goedheid weg geschroeid en bij elke volgende slok verandert het lieve draakje in een boosaardig wezentje, al kan hij nog niet tippen aan zijn gewelddadige ouders. De appel, of in dit geval de draak, valt niet ver van de boom.
Na een hele poos gesjokt te hebben ziet hij op de top van de berg een paar berggeiten klauteren.
Hij blaast een grote rookwolk naar de mekkerende dieren die bewusteloos neervallen.
Houwjebek veegt ze bij elkaar en stopt ze onder zijn bezwete oksel. Onderweg grijpt hij nog even snel een snuffelend everzwijn bij de keel, en neemt een sprintje naar de grot. Hij ziet de blauwe veren die een spoor vormen naar de drakengrot niet. Daarvoor heeft hij teveel drakenslijm op zijn netvlies.
Zwijgje zit uitgezakt voor de ingang van de grot het kind te wiegen. Houwjebek bindt de dieren vast en barst in brullen uit om dit bespottelijke gezicht. Zwijgje brult terug: ' tja ik moet toch wat, ik werd gek van het gekrijs, nu is ze tenminste opgehouden. Mijn eerste plan was om erbovenop te gaan zitten, maar ja dan kunnen we dat goud wel vergeten'. 'Vrouw', zegt Houwjebek 'geef dat kind nu maar te eten'. Zwijgje pakt een geit uit de kudde.
Ze rukt wat aan de uiers en zowaar komt er een straaltje melk uit. Ze rolt de bak eronder en laat deze vol lopen. Dan houd ze de bak bij de mond van het kind. Ze giet de melk in het roze gezichtje.
De baby hoest en slikt maar krijgt niets binnen. Woedend trapt ze de geit, zodat hij een paar meter door de lucht vliegt. Dan pakt ze de punt van de doek en doopt die in de melk en dan in de mond van de kleine. Deze begint gulzig te sabbelen. Ze kan een glimlach niet onderdrukken.
Toch doet ze het meteen omdat Houwjebek het tafereeltje met scherpe blik aan het bekijken is.
'Ouwe oma', zegt Houwjebek, pas maar op dat je haar niet gaat missen als haar lieve papa haar komt zoeken'. Zwijgje wordt rood onder haar groene schubben en mompelt: 'hou toch je muil, Houwjebek'.

De avond valt met haar heldere sterrendeken over het droefgeestige landschap. Koning Jan- Eerlijk rijdt door, stapvoets.
Hij voelt de zwaarte van de nacht op zijn schouders drukken. Hij weet dat hij moet rusten, maar in zijn hart voelt hij enkel rusteloosheid.
Zijn mannen volgen hem onvoorwaardelijk, al zien ze geen hand voor ogen. Tot ze bij een rivier aanbelanden. De sterren weerspiegelen in het water. ' We gaan rusten' zegt de koning. Koning Jan- Eerlijk houd de eerste wacht. Hij kan toch niet slapen. De mannen maken een vuur en vallen één voor één in slaap.
Ze zijn omhuld door het duister. De rivier kabbelt gestaag voort en brengt de mannen hun dromen. Morgen gaan ze weer verder. De koning wacht op het uur van de eerste zon.

Ook de draken maken zich klaar om te gaan slapen. Zwijgje heeft de baby onhandig in een smerige doek gewikkeld. Stiekem heeft ze genoten van het voeden van het mensenkind dat nu tevreden ligt te pruttelen. Het herinnert haar vaag aan een tijd dat ze zelf een drakenkind had.
Ze draait van haar ene zij op de ander en schuurt tegen Houwjebek aan. Hij is al in een diepe slaap gedompeld en droomt over dikke vette everzwijnen. Zwijgje zucht diep, dikke stoom uitpuffend en staart met haar uitpuilende ogen in het donker van de nacht.
De volgende morgen wordt ze wakker als de zon al boven de drakengrot staat. Ze hoort Houwjebek met zijn schorre stem een afschuwelijk lied zingen. De baby is nergens te bekkenen en buiten brand een groot vuur. Zwijgje staat bliksemsnel op. Alsof ze peper in haar drakenkont heeft. ' Als Houwjebek zulke liederen zingt is er stront aan de knikker' denkt ze. Houwjebek staat buiten met zijn rug naar het vuur. Hij wiegt met zijn kont heen en weer. In zijn vuisten een lange stok met daaraan vast gebonden de baby die met haar mondje open boven de vlammen hangt. Door het gebrul van Houwjebek kan Zwijgje het gehuil van de baby haast niet horen. Houwjebek begint te lachen als een bezetene.
Hij maakt een rondedans, uitzinnig van vreugde. Dan opeens ziet hij Zwijgje. Van schrik laat hij de stok los. Zwijgje kan hem nog net opvangen.
Dan is er een moment van doodse stilte, alleen het vuur knettert verontwaardigt. Een gitzwarte rookwolk komt uit de neusgaten van Zwijgje. Ze blaast recht in het gezicht van Houwjebek. Weer is het een moment stil. Houwjebek begint te rochelen en te hoesten. Hij valt op de grond en hoest zijn geblakerde longen uit zijn lijf. Zwijgje draait zich resoluut om en verdwijnt met het kind in de grot en pakt een kommetje melk.
Zoals ik al eerder zei hebben draken, als ze bij elkaar blijven, nog iets van menselijk gevoel. Houwjebek staat in de drakengeschiedenis echter bekend als zeer onbetrouwbaar.
Als mannetjesdraken vuur maken kunnen zij buiten zinnen raken en alles vergeten en komen zo tot de meest gruwelijke daden. Vandaar dat ook de meeste gemene drakenplannen met vuur gemoeid gaan. Gelukkig heeft dit keer Zwijgjes moederinstinct het mensenkind gered.
De weinige haartjes van het blonde prinsesje zijn weggeschroeid en haar gezichtje is zwart van het roet. Zwijgje pakt een emmer met water en maakt het kind, op haar manier, schoon. De rest van het water gooit ze snel op het vuur.
Ze schreeuw tegen Houwjebek: ' laat je liever verblinden door het goud, sukkel eerst klas dat je bent'. Houwjebek zegt niets, hij snakt nog steeds naar adem.

De eerste zonnestralen vallen door het gebladerte waaronder de mannen van Jan- Eerlijk zich te rusten hebben gelegd. De koning loopt nog steeds onrustig op het bedauwde gras. Donkere wallen onder zijn ogen. Hij hoest luidruchtig en één voor één worden zijn mannen wakker. Ze rekken zich uit en maken vuur. Ze zien dat hun koning haast niet kan wachten. Na een kort maal tuigen ze hun paarden op en vervolgen de rit.
De stralen van de zon prikken steeds heviger in hun huid. Het zweet parelt langs hun slapen. Het landschap wordt steeds grimmiger.
Bij een klein, diepblauw meer besluit de koning even te rusten. Hij kan zijn ogen haast niet meer open houden. Dan valt hij in een onrustige slaap.
Voor zijn geestesoog verschijnt een slanke vrouw, met lange glanzende haren en heldere groene ogen. 'Vader, zoek mij, kijk naar boven en opzij. Ik moet een wanhoopskreet slaken, ik ben bij de draken. Zoek naar de blauwe veren om mij te vinden, maar wees op uw hoede. Slaap nu maar papaatje, slaap maar....' Een nevel trekt voor zijn oog een donkere wolk vertroebelt zijn beeld, in zijn neus een geur van as... 'Nee mijn roosje, nee, ga niet weg.....'
Een paar verschrikte ogen staan over hem heen gebogen. 'Het was maar een droom, majesteit'.
Hij staat direct op en wast zijn gezicht in de beek. Hij hoeft niets te zeggen, zijn trouwe dienaren volgen hem. Het landschap wordt steeds grimmiger. Opeens roept een van zijn mannen: 'koning, hier op de grond liggen een paar blauwe veren, we zijn op de goede weg'. De koning knikt hem vriendelijk maar gejaagd toe. Ze geven hun trouwe paarden de sporen.

Draken kunnen van mijlen afstand mensenvlees ruiken, ze worden er hysterisch van. Het gaat als jeukpoeder in hun poriën zitten. Knettergek worden ze ervan. Maar wel minder scherp en dat is een pluspuntje voor de koning.

Houwjebek ligt voor de ingang van de grot te stinken. Zijn dikke drakenreet neemt de gehele ingang van de grot in beslag. Hij heeft zijn ogen wijd open en kijkt recht in de zon. Uit al zij poriën komt stoom. Zwijgje is de resten as met haar enorme zwabberpoten bij elkaar aan het harken.
De baby ligt op veilige afstand van Houwjebek in een half vergaan rieten mandje, dat Zwijgje ergens heeft gevonden en waar Houwjebek haar wederom om uitgelachen heeft.
Het kan haar niets schelen. Het medaillon weerspiegelt de stralen van de zon op haar gezicht. Haar ogen glinsteren. Maar niet door het medaillon. Ze is opgehouden met vegen en kijkt naar het meisje dat tevreden op haar duimpje zuigt. Houwjebek kijkt met toegeknepen oogjes naar het tafereeltje en gromt van ingehouden woede en jaloezie. Hij zou het kind het liefst terplekke rauw opeten. Het medaillon heeft gelukkig haar kracht nog niet verloren en schittert voorlopig alle woede weg.
Haar vader is vast een koning, met heel veel goud.........
Dan opeens steekt hij zijn lelijke kop in de lucht en snuift en snuift met diepe halen en laat dan een oorverdovend gebrul horen.
Zwijgje laat van schrik het kind een stukje uit haar handen vallen, dan steekt zij ook haar kop in de wind en slaakt een ijselijke gil. Gauw legt ze de slapende baby op de stapel vodden. De ogen van beide draken zijn doorlopen van bloed: 'mensenvlees, ik ruik volwassen mensen, ze komen het kindje halen'. Van gekheid weten ze niet wat ze doen moeten en maken een wervelende rondedans op de open plek voor de grot.
Het landschap is nu pas echt grimmig geworden op een paar kale struiken na is er nauwelijks leven. Er moet ook geklommen worden. De paarden stappen dapper maar langzaam voort. Tergend langzaam als je het de koning vraagt. Jan- Eerlijk heeft zijn mannen de avond voor deze barre tocht gewaarschuwd voor dit duistere land en het gerucht dat er hier ook draken wonen. De ridders geloven er niet in maar hebben toch hun wapenuitrusting geïnspecteerd. De koning weet ook dat draken gek zijn op goud, dat kan nog van pas komen. Hij hoopt dat zijn dochter nog leeft en spoort zijn paard nog eens extra aan. Hij moet er niet aan denken.
Terwijl ook de kale struiken uit het landschap verdwijnen ziet hij het beeld van zijn prachtige vrouw die zijn dochter in haar armen wiegt. Hij maant zijn mannen te stoppen en bij toerbeurt te waken en valt in een onrustige slaap.

De draken kunnen niet meer slapen, hun wrede harten kloppen hevig. Houwjebek heeft tegen Zwijgje gezegd dat ze de baby niet meer mag wassen, hoe erger ze er uit ziet hoe beter ze de koning zijn goud, en misschien ook mannen afhandig kunnen maken. Ze denken er niet bij na dat ze net zo goed alles in kunnen pikken als de koning er eenmaal is. De geur van goud en mensenvlees maakt hun geest verward. Goud is voor hen uiteindelijk van geen enkele waarde maar zoals dat bij vele ego's gaat beseffen de draken dat niet en smeden ze hun belachelijke plannen.
Als de ochtend langzaam wakker wordt zijn de domme draken uiteindelijk in een halve slaaptoestand terechtgekomen. Ze worden echter wakker van een hele scherpe doordringende geur. Het kind heeft een enorme poep gedaan en Zwijgje wordt kokhalsend wakker, geel slijm ophoestend. Houwjebek brult.

Intussen zijn ook de mannen verder getrokken. Ze worden opeens opgeschrikt door een gebrul. Er schiet een rilleng door het koninklijke lijf van Jan- Eerlijk. Draken, ...dus toch.
Hij maant zijn mannen een rotsblok te zoeken om zich zo goed en kwaad achter te verschuilen.
Met zijn hoofdman sluit hij de heuvel op, in de richting van het gebrul.

Zwijgje houd de baby hoog in de lucht en met afgewend hoofd sleept ze de baby aan beide armen door een plas voor de grot. Laat toch zitten, roept Houwjebek die ook wakker is geworden van de stank. De stank van de poep van de baby heeft de sterke mensengeur overtroffen.

Opeens houdt de steile heuvel op. 'Ssst'. Roept de koning. Hij maant de hoofdman op zijn buik te gaan liggen. 'Kijk, kijk daar benden'. De draken lopen daar mopperend in het rond met in de hoek een besmeurd bundeltje wat hartverscheurend huilt. 'Dddddddat is ze. Mijn meisje'. Met moeite onderdrukt de koning zijn tranen. Wat moeten ze doen om haar te redden.
De koning heeft direct een plan. Ze sluipen terug naar de rest van de mannen, pakken de kist met goud. Terwijl de hoofdman boven op de grot, want dat is de top van de heuvel, zit, sluipt de koning naar beneden. De koning weet dat er niet te onderhandelen valt met draken en dat de kans groot is dat ze zijn mannen met huid en haar op zullen eten als dat het eerste is wat ze zien.
Hij heeft de hoofdman geïnstrueerd de kist naar beden te laten vallen waardoor de draken afgeleid zullen worden en zich op de kist storten, Hij heeft hem goed afgesloten en er voor het effect er een gouden ketting laten uitsteken om het fanatisme van de draken aan te wakkeren. Maar hij heeft er verder stenen in gedaan! Zo slim is de koning wel.
Hij sluipt op kousenvoeten naar beneden en is slecht een paar voetstappen verwijderd van zijn meest kostbare bezit.
Opeens steekt Houwjebek zijn knoestige drakenkop in de lucht en haalt diep reutelend adem, terwijl hij fluimen bruine drab op de grond spuugt schreeuwt hij, gek van woede: 'mensenvlees, zo walgelijk dichtbij, vrouw we moeten alert zijn'.
Op dat moment klinkt er een harde knal. De kist valt op de grond. De draken zien het geschitter en duiken op de buit. De koning grist het bundeltje van de grond en houdt het, dicht tegen zich aangedrukt en rent naar zijn mannen. Ze peren hem in volle galop, zogoed en zo kwaad als het kan in het stenen landschap.
De draken weten niet wat er om hen heen gebeurt.
Ze rukken aan de kist en schelden elkaar uit voor de allerergste ziektes. Ze trekken aan de gouden ketting en, nadat deze gebroken is, ook aan het stevige slot.
Zwijgje staat beteuterd te hijgen met de kapotte ketting in haar hand, terwijl Houwjebek de kist optilt en bij zijn drakenoor heen en weer schudt. Dan wordt kleurt hij rood van top tot teen, onder zijn drakenschubben.
Het gebrul dat weerklinkt doet de grond trillen, de vogels vluchten en de stenen sidderen.
Hij schreeuwt zijn walgelijke adem uit tot hij hees is. Nog nauwelijks verstaanbaar fluistert hij, naar het lijkt naar uren: 'we zijn beetgenomen, dit klinkt niet naar goud'. Zwijgje staat nog steeds verstijfd van schrik met het kapotte sieraad in de hand. Haar muil kwijlend open van schrik
Houwjebek komt weer in actie. Hij pakt de kist en gooit deze met grof geweld tegen de stenen rotswand. Er klinkt gekraak, de kist blijft echter gesloten. Dit maakt Houwjebek nog kwader. Met zijn enorme zwabbergewicht laat hij zich, als een worstelaar, op de kist vallen. Het drakenbloed vliegt in het rond, doordat hij door zijn blinde woede op de punt laat vallen. Weer klinkt een hevig gekraak en een schreeuw van pijn. De kist valt open. Houwjebek blijft kermend liggen. Dan valt er een doodse stilte. Uit de kist rollen een paar grijze kiezelstenen. Zwijgje slaakt een zenuwachtig gilletje en zakt dan door haar dikke knieën. Dan huilt ze, schreeuwt ze hartverscheurend met in haar poot nog steeds de ketting. Ze kijkt zoekend om zich heen. De baby is nergens te bekennen. Houwjebek ligt in een plasje bloed. 'Beetgenomen, beetgenomen' is het enig dat hij nog kan fluisteren. Zwijgje is naar de ingang van de grot geslopen en houd het hemdje van de mensenbaby die haar ontnomen is voor haar ogen om haar tranen tegen te houden.

Koning Jan- Eerlijk weet niet hoe snel hij weg moet komen.
Hij weet dat zijn mooie vrouw aan het weg kwijnen is en kan niet wachten tot hij hun dochter in haar blanke armen kan leggen.
Dan hoort hij boven zijn hoofd een hard gelach en een blauwe veer dwarrelt naar beneden. Hij maant zijn mannen tot rust. Vogel Pech vliegt boven het hoofd van de stoet. Koning Jan- Eerlijk wordt dan zo kwaad dat hij hele lelijke dingen zegt. Dan beseft hij weer dat hij zijn kostbaarste bezit in handen heeft en negeert de vogel. Hij maakt ook direct een plan in zijn hoofd, hij wil niet dat er nog meer kinderen worden ontvoerd. Dan laat hij zijn mannen rusten en hij weet dat hij zelf ook rust nodig heeft. Ze zijn nu ver genoeg verwijderd van de boosaardige draken. Zijn dochter voedsel nodig heeft en iets warm om aan te trekken. Zijn vrouw heeft hem de spullen meegegeven.
Na enkele dagen arriveren ze bij het paleis. Koningin Harmonique heeft alle dagen voor het venster gezeten, gewacht op de terugkomst van haar man. Wat hoopte zij dat hij hun eerstgeborene bij zich zou hebben. Haar ogen worden groter als ze paardengetrappel hoort en Koning Jan- Eerlijk in haar vizier verschijnt. Dan knijpt ze haar oogleden tot spleetjes. Ze krijgt een weeïg gevoel in haar buik. Ze kan het niet geloven. Tranen branden achter haar ogen als ze ziet wat haar lieve man in de lucht omhoog houdt. Haar meisje, haar prinsesje.
Ze holt de oprijlaan op. Ze rent in de ramen van haar man, die inmiddels is afgestapt en kust haar kleintje, die nat wordt van de tranen.

Mijlenverder in een droefgeestig landschap, bij een zwartgeblakerde drakengrot, ijsbeert een woedende drakenman voor de grot heen en weer en zit een drakenvrouw jammerend ineengedoken met een babyhemdje in haar schurftige poten.


Columns

Column: Date

Ik ben te vroeg, ik wacht op mijn afspraak. Er komt een vrouw tegenover aan het andere tafeltje zitten.
Uiterlijk lijkt ze op mijn zwakbegaafde nicht. Kan er ook niets aan doen, het is zo.
Ze draagt een veel te ouwelijke bloes waar ze nog molliger in lijkt. Vanonder redelijk zware wenkbrauwen zoekt ze een plaatsje om te gaan zitten. Haar ogen kijken vertroebeld door een soort wantrouwen tegen de wereld en mannen in het bijzonder.
Ze wordt gevolgd door een, niet onaantrekkelijke, man die net iets kleiner is dan haar. Of is dat mijn verbeelding? Hij kijkt in ieder geval schuchter. Hij wil haar stoel aanschuiven, maar zij zit al. 'Wat deed je ook alweer?'vraagt ze. Hij mompelt wat.'O ja' zegt ze.
'Wat wil je drinken' vraagt de man na een korte stilte. 'Witte wijn en een glas water'. De man staat op. Ze volgt hem, wat argwanend, met haar ogen. Hij komt terug met een flesje cola en een glas wijn. Met een zuur lachje zegt ze: 'Bedankt'. Ik zie haar denken: 'wat ben je voor een man als je nu al mijn glaasje water vergeet'. De man zet alles op tafel en loopt weer weg. Ze kijkt lichtelijk betrapt. Haar lach is verwrongen. De zijne verlegen.
Ik voel me plaatsvervangend ongemakkelijk.
De vrouw neemt een slokje van de wijn. De man haalt een pakje uit de tas, van de Bijenkorf.
Hij zet het voor haar op tafel en zegt: ík heb iets voor je mee gebracht'. De vrouw zegt: 'O', haar ogen schieten heen en weer en ze rukt het papier eraf.
'Veel te duur joh, dit is toch veel te duur'.
Nu kijkt ze mij aan, ik lach voorzichtig en haal mijn schouder op. Ik neem maar snel een slok van mijn koffie verkeerd.
Het is een horloge. Ze probeert het om te doen, maar het lukt niet. Hij helpt. Het zit te strak. Nu zegt ze dat ze het misschien wel zou willen ruilen. Ik heb het gevoel in een toneelstuk belandt te zijn.
Nu kijkt de man, nogal radeloos, naar mij. Ik lach met alles wat ik in me heb naar hem en voel me schuldig. Net als hij die op de eerste date het volledig verkeerd heeft ingeschat. Nu zou ik wel een goede fee willen tegenkomen of met een teletijdmachine deze korte geschiedenis veranderen. Wat een opluchting dat mijn afspraak binnen komt. Ik drink snel mijn lauwe koffie op en vlucht het warme café uit.

Column:Dealers

In het oude centrum , waar ik woon, wordt je vaak geconfronteerd met de onderkant van onze samenleving. Dealers, prostituees, junks en zwervers. Ik word er steeds meer immuun voor maar nooit onverschillig.
Dealers. Ze staan elke dag op mijn hoek, luidruchtig Papiamento converserend. Ik ken ze allemaal van gezicht en sommigen herkennen mij. Als ik hen passeer zeggen ze dingen als:
'Hé schatje alles goed?'
'Kijk je goed uit?'
'Doe je voorzichtig?'
Als ik een roze truitje aan heb noemen ze me in plaats van schatje, pinky.
Ze kijken me bijna nooit in de ogen omdat ze meestal een verdieping lager kijken. Soms maken ze daar ook opmerkingen over maar die zijn het vermelden niet waard.
Ze drinken bier uit blikjes waar een papieren zak omheen is gefrommeld.
Ze vragen me inmiddels niet meer of ik hun witte pilletjes en poedertjes wil kopen, gelukkig. Ik word al high van het leven zelf.
Gisteren zette ik de vuilnis buiten. Ik sleepte mijzelf en de vuilniszak voort en keek niet uit waardoor ik bijna overreden werd door een stalen ros.
Een van de dealers zei: 'je kan beter onder mij komen dan onder een fiets.' Ik zei dat ik dat sterk betwijfelde en vluchtte als een haasje mijn huis in.
Vanochtend stonden er drie, ik stond bij het open raam. Een van hen was aan het bellen:
'Zeg tegen Damian dat hij niet mag vechten ja?'
'Mama is ziek, ja?'
'Jullie moeten niet vechten, ja, mama is ziek , ja?'
'Niet door het huis rennen, ja?'
'Ja?'
Rustig doen, hoor je me.'
'Lief zijn voor mama, ja?'
Toen hing hij op.
Ik vond het een mooi gesprek.
De telefoon verdween weer in de binnenzak. Er kwam een conversatie op gang waarbij er naar de overkant werd geschreeuwd in een taal die ik niet verstond. Het leek op ruzie, maar aan de lichaamstaal te zien was dat het niet.
Er kwamen twee jonge toeristen aan, het soort dat alleen naar Amsterdam komt om te blowen.
Een van de dealers liep een stukje met ze op en vroeg wat ze mij in het begin ook vroegen.
Hij liep een stukje met ze op, haakte weer af. Ze nipten weer aan hun bier.
Ik vroeg me af wat Damian en zijn broertje thuis aan het uitspoken waren.


Column: Kamperen (derde prijs Volkskrant columnwedstrijd)


Ik zat al uren van te voren in de auto.
Bij het raam natuurlijk. Drie weken kamperen!
Mijn zusjes en ik kregen viltstiften van mijn moeder. Ieder ons eigen pakje, dat was feest.
Mijn tas stond al weken van te voren klaar en ik maakte steeds nieuwe lijstjes met wat ik mee moest nemen. Ik was twee keer naar de bieb gegaan en had zoveel mogelijk leuke boeken geleend. De reden dat ik twee keer ging is dat ik de nachten voor we gingen niet goed kon inslapen en dan, inderdaad ja, een boek ging lezen.
Mijn vader pakte de vouwwagen in en altijd paste het niet, vloekte hij stevig, begon weer opnieuw. Toch gingen we altijd eerder op de dag weg dan gepland.
Mijn moeder had zoveel mogelijk eten uit de moestuin meegenomen: 'anders verpietert het maar, dat is ook zonde.'
Eindelijk was het dan zover, mijn zusjes persten zich ook in de auto, mijn moeder zuchtte diep en zei: 'daar gaan we dan'.
Na aanvankelijk veel enthousiasme kwam het grote klagen.
Hoe ver is het nog?
Ik ben echt misselijk.
Je zit op mijn helft.
Ik ga dus echt niet meer bij jou in de tent.
Mag het raam dicht?
Mag het raam open?
Dit duurde tot we bij de camping in de Ardennen aankwamen waar we ons als slaapzakken uit de auto lieten rollen en bleven liggen tot de vouwwagen en de tenten, ook met veel gevloek, waren opgezet.
Dan waren er gebakken aardappeltjes uit eigen tuin, aangekoekt in het aluminium pannetje, maar tien keer lekkerder dan thuis.
Dan was er de dauw, 's - ochtends op het gras.
Ronde witte broodjes bij het ontbijt.
De nachtelijke plas achter de tent.
Het ruisen van de rivier.
Kamperen is het mooiste wat er is.
Na een week varen in de rubberboot, muggen en kastelen begon het te knagen.
Na een kleine twee weken waren de viltstiften uitgedroogd, de boeken uitgelezen.
Ik zat weer in de auto, bij het raam.
We vertrokken altijd eerder dan gepland.


Column:Kapper

Gisteren was ik trainingsmodel. Om zes uur werd ik geknipt door een meisje dat het nog moest leren onder supervisie van Peter.
Peter is de baas.
Peter heeft stijl.
Peter maakt statements als: 'mooi grijs is niet lelijk'.
Als hij mijn kapsel controleert voel ik me een beeld onder de scheppende handen van Michelangelo. Hij kneedt, schud en rukt aan mijn hoofd. Het is wel een aparte ervaring om me een sculptuur te voelen.. Hij husselt mijn haar, bekijkt het dan van een afstandje, trekt het langs mijn kaaklijn en knipt het een beetje. Peter is tevreden.
Deze kapsalon is chique. Onder het knippen krijg je een goede rosé of zelfs champagne. Het plafond is bezaaid met ornamenten. Peter neemt een Indonesische dame onder handen die de vijftig al is gepasseerd. Ze heeft een uitgestreken pokerface. Haar man is ook mee. Hij praat. Zij zegt 'Tsssss' als hij een grap maakt en lacht zuinig.
Het gesprek gaat over restaurants.
'Ken je dat en dat restaurant?', vraagt Peter.
'Nee', zegt de man.
'Dat is tegenwoordig een van de beste van Amsterdam.'
'Zullen we daar gaan eten?', zegt de man tegen zijn vrouw.
'Ik bel meteen, heb je het nr. voor me Peter?'
'Ik bel voor je, ik heb connecties.'
Het wordt geregeld. Dan vertelt Peter waar hij vandaag gaat eten met vrienden. Dat is ook een goed restaurant en de hond mag ook mee, het is een echte restauranthond.
De man zegt: 'als je naar de Chinees gaat weet je nooit in welke vorm je je hond terug krijgt.'
Wij lachen, hij niet.
Hij vertelt een anekdote over een echtpaar uit Zwitserland dat voor zaken naar Hongkong verhuisde. Ze namen hun zeer geliefde poedel mee naar het restaurant. Met handen en voeten vroegen ze of er ook wat te eten was voor de poedel. Deze werd zeer vriendelijk mee genomen en na een tijd wordt er een prachtig opgemaakt stuk vlees geserveerd wat verdacht veel op een poedel leek.
Na dit verhaal is de man niet meer te stoppen: 'er zijn heel veel allochtonen die kattenbrokken eten' vervolgt hij. Peter reageert niet en ik richt mijn blik naar beneden. 'Als je naar een allochtonen-eettent gaat weet je nooit wat je krijgt'. Een kleine stilte valt.
Ik vind het woord allochtoon de laatste tijd steeds viezer klinken. Allochtoon, autochtoon, blank, zwart, Israëliër, Palestijn, Islamiet, Jood. De stempeldoos wordt me iets te vaak lukraak open getrokken. Ik wou dat ik had gezegd dat ik vaak falaffel, humus en foeyonghai eet.
Het gesprekonderwerp verandert opeens.
Nu gaat het over politiek. Peter en de man vinden het allebei weer spannend in de politiek.
Ik ook, misschien is 'eng' een beter woord. Ik vraag me af wat het nieuwe kabinet zal brengen. Gelukkig zit mijn haar wel goed en zou meneer Balkenende ook eens bij Peter langs moeten gaan.


Column: Muizen

Toen ik vanmorgen wakker werd zag ik ze overal lopen, muizen, ratten. Ze waren in grote getale aanwezig geweest in mijn dromen, zoals ze ook in grote getale aanwezig zijn in Amsterdam. Ik hield snel mijn hoofd onder de kraan, het scheelde iets.
Gister zat ik in de kroeg op de Zeedijk, zoals zoveel gisteravonden. Ik was in het gezelschap van mensen uit mijn theatergroep. Een van hen vertelde dat ze muizen had die nooit van haar brood aten maar wel altijd in de buurt van de verwarmingsbuizen in haar slaapkamer een wrede gifdood stierven. Ze was die nacht uit geweest en thuisgekomen met beneveld hoofd, op haar buik in slaap gevallen. Toen ze wakker werd lag er een warm, dood, harig muizenlijfje tussen haar borsten. Ze was meteen klaarwakker om onder de hete douche te schrobben tot ze rood zag. Maar het gevoel van een nacht rollen over een muizenlijkje was nog niet uit haar systeem.
Ze rilde.
Ik moest giechelen, dat doe ik altijd als ik iets eng en/of vies vind.
Mijn docente maakte het nog erger. Ze vertelde dat haar vriend dacht een rat in de W.C.-pot te hebben zien springen. Ze dacht in eerste instantie dat hij nu echt paranoia was geworden.
Verder associërend zei ze dat de wc-bril wel vaker onverklaarbaar nat was geweest. Een tijd later zag ze de rat in levende lijve, althans zijn staart. De rattenbestrijdingsdienst werd gebeld. Er werd gif achter de pot geplaatst. De man verklaarde dat er waarschijnlijk een klep stuk was in het riool waardoor de rat naar boven kon. 'Ammoniak' zei de man. 'Gooi dat in de pot, liefst twee flessen, klep erop, dan verbrand ie zijn oogjes en weet ie gegarandeerd de weg niet terug.' Met een licht schuldgevoel heeft mijn docente dat advies opgevolgd en bleef de rat weg. Hoewel ze nog steeds een steen op de pot legt als ze er niet op zit.
Ik had er wel begrip voor en bij dit verhaal hoefde ik niet te giechelen.
Het zijn van die nachtmerriegebeurtenissen die blijven kleven. Die zich herhalen in je gedachten. Ik hoor nog steeds het geluid van de dode muis die ik, in half vergane staat, vorige maand van de vloer moest trekken. De vlek is nooit helemaal weg gegaan, zelfs niet met chloor.
Daarna ging het gesprek over weggelopen katten.
Ook een gevoelig onderwerp, maar toch anders.

Column: Verkering

Een paar dagen in de week werk ik in een souvenirwinkeltje in de Leidsebuurt.
Het is gericht op coffeeshoppubliek; waterpijpjes, hasjvloei, Bob Marley sleutelhangers e.d. Maar ook oorbelletjes, hele schattige oorbelletjes.
Het is nog vroeg in de middag. Er komt een meisje binnen. Een blond krullenmeisje. Ze is alleen maar is duidelijk ongemakkelijk met deze situatie.
Ze hoort bij iemand, dat is zo klaar al een klontje. Ik knik vriendelijk en zij zegt:'hi'.
Ze loopt alle vitrines af en bekijkt de inhoud zorgvuldig. Ze streelt de suède veters die zo aaibaar zijn maar heel slecht verkopen.
Bij het glazen bord waar honderden oorknopjes opgeprikt zijn blijft ze heel lang staan. Dan zegt ze: 'Excuse me, is it one pair for 1.95?' Ik knik en lach haar toe alsof ik haar een enorme gunst verleen. Zij trekt even met haar rechter mondhoek.
Dan kiest ze drie paar oorbelletjes uit. Ik doe ze in een zakje en reken af. Ze houd het zakje vast als een schat, als ze de winkelt uitloopt.
Iets voor sluitingstijd komt ze weer binnen, met achter haar een bloedmooie jongeling. Ik herken haar bijna niet, zo aanwezig is ze nu. Iemand hoort bij haar.
Ik zie al een paar van haar nieuwe oorbellen in haar lelletjes glinsteren
Ze loopt direct naar de glazen plaat en trekt haar vriend mee. Ze zegt tegen haar vriend dat ze hier de oorbelletjes heeft gekocht en peilt zijn reactie. Hij knikt, legt zijn hand even in haar onderrug en loopt dan naar de vitrine met waterpijpjes.


Natuur

Ik zit in het café. Het is tien uur geweest.
We hebben net repetitie gehad van ons theaterstuk.
We spelen met twee mannen en vier vrouwen.
Eerst praten we een beetje na over de repetitie.
Hoe hard werken het is.
Dat acteren een vak is.
Hoe we steeds beter op elkaar ingespeeld raken.
Wat de beste manier is om je tekst te leren.
Daarna gaat het over andere dingen.
Over de kracht van de natuur.
Dat de elementen een grote invloed hebben op de mens.
Dat mensen die invloed steeds meer negeren.
Ik vertel dat ik veel met kinderen gewerkt heb en ik altijd aan ze kon merken als er storm op komst was. Dan was er geen land meer met ze te bezeilen.
Ikzelf ben erg beïnvloedbaar door de zon. In de winter functioneer ik echt niet optimaal.
Maar de maan heeft ook een mysterieuze werking op mij en andere vrouwen.
Vroeger had de maan een gezicht, nu zijn het kraters.
De maan trekt de zee aan en stoot deze weer af, net als dat zij zorgt voor de menstruatie van de vrouw. Ik moet denken aan het studentenhuis waar ik heb gewoond met vier meiden. Wij werden na enige tijd allemaal rond dezelfde tijd ongesteld. En zo was het ook in mijn gezin met mijn moeder en mijn drie zussen. De dramatiek in deze tijd was niet van de lucht.
En nog steeds slaap ik slecht met volle maan. Niet bewust, ik realiseer me pas achteraf dat het volle maan was.
Een van mijn mannelijke spelers vertelt over de indianen. Dat daar vrouwen die in hun maandelijkse periode zitten overal van vrijgesteld worden en letterlijk en figuurlijk in de watten worden gelegd. Hier leven vrouwen zo gewoon mogelijk door, ze kopen tampons of maandverband met vleugeltjes en ondanks dat ze een paar dagen overal om moeten huilen en hele chocolade repen naar binnen werken is er niets aan de hand. Het lijkt me ook wel wat om elke maand een weekje te relaxen in een wigwam.
Fijne praat voor in het café.
Als ik naar huis terug loop regent het. Ik zing. Ik hou best van een beetje regen.
De wind is echter mijn grootste vriend. Vooral op het strand.
Als ik thuis in bed lig tikt de regen op mijn platte Amsterdamse dak. Ik stel me voor dat ik in een tentje lig onder citrusbomen in Portugal met dat 'een keer in de maand plaatselijk buitje'.

Column: Toeristen

Je hoeft niet op vakantie als je in Amsterdam woont.
De vakantie komt naar je toe, ook deze zomer!
Vele buitenlanders vereren ons land en onze hoofdstad met een bezoek.
Ik heb een fijngevoeligheid ontwikkeld voor het herkennen van toeristen. Japanners opereren altijd in groepen. Amerikanen kijken je nooit aan en hebben afhangende schouders. Duitsers hebben een soort ijzeren gordijn voor hun ogen. Er lopen ook altijd kleine Italiaanse gepiercede meisjes rond met gehaakte tasjes en wijd uitlopende spijkerbroeken. Luidruchtige Britten in de Ierse pub ( zij operen ook altijd in groepen alleen in tegenstelling tot Japanners zijn dit altijd alleen mannen).
Zo kan ik doorgaan.
En allemaal wagen ze het om in de Hoogstraat op het fietspad te lopen, fietsbellen te negeren en na aangereden te zijn : 'excuse me' te stamelen, met hun handen verontschuldigend met de palmen naar voren, het hoofd naar beneden gericht zich achterwaarts lopend uit de voeten te maken. Of nog erger: net op tijd weg te springen en vreselijk zenuwachtig gaan lachen terwijl de reisgenoten zich razendsnel een kluwen om het bijna-slachtoffer heen vormen.
Rijenlang voor het Rijksmuseum dat ik ook graag 's zomers bezoek. Jointjes draaiend mijn stoepje versperrend. Niemand spreekt Nederlands.
Hartstikke leuk, vakantie in eigen stad.
Dit jaar heb ik besloten wel op vakantie te gaan. Ik ga een reis maken langs alle wereldsteden. Ik ga midden op Broadway Avenue lopen. Ik ga spugen van de Eiffeltoren. Ik ga met een bulldozer de Chinese muur op en poepen op het St. Pietersplein.
Daarna koop ik een boerderijtje in Friesland.


maart 2010

ma di wo do vr za zo
1 2 3 4 5 6 7
8 9 10 11 12 13 14
15 16 17 18 19 20 21
22 23 24 25 26 27 28
29 30 31        
Blog powered by TypePad