DRAKEN
Rinske Kegel
In een grote glibberige grot wonen twee woeste, wilde draken. Lelijk, vol puisten en stinkende wonden. Een mannetje en een vrouwtje. Houwjebek en Zwijgje. Ze wonen in een streek die eens bewoond is geweest door mensen maar iedereen is er weg getrokken. Nu is het een onherbergzaam gebied met kaalgeschroeide bomen, rotsachtige bergen en stinkende zwavelpoelen. Dit drakenpaar is intens, intens gemeen. In al die honderden jaren hebben ze zoveel afschuwwekkende streken uit gehaald dat een mens er nooit in zijn leven een boek over kan schrijven omdat één leven te kort is om deze gruweldaden te beschrijven. Nu leven draken ook erg lang, té lang zou je wel kunnen zeggen.
Op een dag gebeurt er daar zoiets geks. Op een nevelige ochtend ligt er in een hoekje van die groezelige grot op het stro een prachtig roze baby. 'Tatatata' zegt het tegen de Houwjebek die slaapdronken uit de grot komt. Van schrik komt er een stevige rookwolk uit de knoestige neusgaten van Houwjebek, de mannetjesdraak. Hij is direct klaarwakker. Zwijgje, de vrouwtjesdraak komt terstond aangewaggeld, onderwijl dikke flubberige scheten latend. Door de rokerige, stinkende hal van de grot loenst het vrouwtje naar de baby. Het steekt een roze armpje uit en pruttelt wat met haar rode lipjes. Zwijgje brult zo hard dat het in de rest van de wereld gaat onweren en hittegolven tegelijkertijd.
'Wat is dat' brult ze met overslaande stem 'dit had ik niet besteld'.
'Tja' mompelt Houwjebek 'dat weet ik ook niet'. De twee draken stampen vertwijfeld heen en weer in de grot. De baby geniet van deze rondedans en beweegt mee met haar armpjes.
Woest wordt Zwijgje hiervan. Ze is bang voor dit onbekende machteloze wezen dat nu van haar afhankelijk is.
'We gaan het opeten' zegt Houwjebek die de verwardheid in de vorm van gespannen paarse, kloppende aderen in de nek van zijn vrouwtje, tevoorschijn ziet komen.
Hij pakt het kleintje op wat meteen zwart wordt van het roet. 'Tadaddada'roept het blij.
'Laten we het braden' zegt Zwijgje. 'Ja goed idee' zegt Houwjebek.
Onhandig houd hij het kindje vast en zet het dan weer terug om een vuurtje te maken.
' Nee', zegt Zwijgje opeens. Ze herinnert zich opeens weer haar gruweldaden uit de tijd dat er nog mensen in het duistere gebied woonden. Ze lacht in haar vuistje. Jeetje mineetje dat was me een doldwaze tijd. Wat hebben ze toen gelachen. Die prinses die ze gevangen hadden en waar ze toen met al die mannen die haar wilden redden gingen kegelen. Of huizen van mensen onverwacht optillen. Of net als het koren klaar was om geoogst te worden er even lekker over heen stomen. Die keer dat ze het dak van de plaatselijke sauna hadden opgetild en al die naakte mensen zich gillend moesten verstoppen. Zwijgje houd haar uitgelubberde drakenbuik vast van het lachen. Houwjebek lacht mee hij herinnert zich ook nog die keer dat ze alle kinderen van de dichtstbijzijnde stad midden in de nacht uit hun bedden hadden gehaald en lekker hadden gebraden op de barbecue. Levend. Och wat was dat een grappig gezicht, al die huilende, schreeuwende, dansende kinderen op hete kolen.
'Met dit mensenkind kunnen we een hoop lol beleven', zegt Zwijgje. Ze pakt het kind op en kijkt nog even argwanend om zich heen.
De avond daalt over het onherbergzame land. Zwarte nevelswolken bedekken de toppen van de bergen. De twee gruwelijke draken besluiten er een nachtje over te slapen.
De baby blijft lachen en kirren. Zwijgje blaast een grote rookwolk naar het kind. De baby hoest en wordt terstond pikzwart.
Zwijgje stoot een krakerig giecheltje uit. Ze pakt een smoezelig stukje stof en rolt de zwart geworden baby erin.
Tenslotte moet het kind in leven blijven willen ze er nog lol aan kunnen beleven. Houwjebek bindt de doek stevig om het, inmiddels slaperige kind, heen met een ijzeren ketting, je weet tenslotte maar nooit.
Het kindje begint zachtjes te huilen. Zwijgje heeft haar armpjes onder de ketting vastgebonden en nu kan ze niet op haar duim sabbelen.
Houwjebek schreeuwt tegen het kind: 'hou je bek' en gaat met zijn vieze, bedorven adem boven het kind hangen en laat een knetterende boer.
Groene, mistachtige slierten zweven boven het kleine mensje. Het is nu even stil. Het arme kind kan bijna geen adem meer halen. Zwijgje brult weer van de pret. Haar vette buikkwabben dansen op en neer. In haar navel groeien kleine zwammetjes, die ook meedeinen op het geschok.
Dan, heel even, bedenkt ze dat het kind misschien honger heeft. Ze scheurt een stukje vlees van het gedroogde varken dat in de hoek, met een touw om de nek, aan de muur hangt, en geeft het aan het kind.
'Tadadada' zegt het roze wezentje en pakt, met het vlees, ook de lompe poot van Zwijgje vast.
Daar wordt Zwijgje zo kwaad om dat ze de baby pakt en aan de ketting begint rond te slingeren. Nu is het de beurt aan Houwjebek om loeihard te lachen. Het groene drakenzweet loopt lang zijn schurftige nek in slijmerige draadjes naar beneden.
Zwijgje heeft intussen de smaak te pakken en probeert loopings met het kind te maken. Ze is helemaal door het dolle heen. Ze rent naar buiten, naar de modderige drinkpoel, en draait nog wildere rondjes waarbij het kind steeds door de poel heen getrokken wordt. Houwjebek kan het opeens niet meer uitstaan dat Zwijgje zo'n pret heeft en trekt de ketting uit haar handen.
Het kindje is stil, vies en wonderbaarlijk rustig. Het brabbelt en heeft de oogjes half toe.
Houwjebek bedenkt dat, als hij óók nog veel lol wil beleven, hij het kind nu maar moet laten slapen. Hij gooit het kind op een stapel bedorven bladeren in de hoek.
Zwijgje giechelt verontwaardigt wat na, paarse stoom uitpuffend.
Mijlen, mijlen verderop zweeft een grote blauwe vogel, luid schreeuwend over het land.
Het is een ongeluksvogel. Deze vogels zijn er niet veel. Maar als je ze in hun gloeiende ogen kijkt, brengen ze ongeluk. Deze vogel, Pech genaamd, heeft de roze baby bij de draken bezorgd. Dit kleine prinsesje heeft met haar onschuldige ogen Pech aangekeken toen hij over het land vloog en hij heeft haar meteen meegenomen. Het land van Koning Jan-Eerlijk en Koningin Harmonique.
Ze zagen Pech met het hun meisje wegvliegen en konden niets doen dan machteloos toekijken. Inmiddels heeft koningin Harmonique vele van haar ravenzwarte haren van verdriet uitgetrokken. Koning Jan-Eerlijk, die het verdriet van zijn vrouw niet kan aanzien, is een grote zoektocht begonnen naar zijn ontvoerde dochter.
Het is een mistige ochtend. Zwarte kraaien cirkelen boven de drakengrot, schorre kreten makend. De baby slaapt. Het is haar gelukt een handje uit de touwen te krijgen en vredig licht ze te pruttelen. De draken slapen ook nog. Ze halen diep en gorgelend adem. Af en toe ontsnapt hun een walmende scheet die de muur van de grot nog zwarter maakt. Steeds meer kraaien verzamelen zich en cirkelen krassend boven de grot. Het zijn er meer dan anders.
Alsof ze aanvoelen dat er een verandering is opgetreden in het saaie, doch afschuwelijke, leven van de twee draken.
Zwijgje wordt langzaam wakker. Ze opent één oog. Nadat ze het slijm eruit heeft gezwabberd kijkt ze chagrijnig rond. Dan opent ze ook haar andere oog. Ze plukt de korsten uit haar ooghoek en schreeuwt luidkeels: 'rotvogels, ga ergens anders vliegen'. Hijgend en puffend waggelt ze naar de ingang van de grot en zwaait wild met haar korte dikke poten.
De kraaien stuiven hard lachend uiteen. ' Hou je bek, hou je bek, stomme krengen' schreeuwt ze. Houwjebek strompelt woedend naar buiten. Zelfs uit zijn poriën komt stoom. Hij zegt:' ik wil uitslapen en nu roep je me, zodat ik wakker ben geworden'. Zwijgje zegt: 'ik riep je helemaal niet, ik zei tegen die béésten dat ze hun bek moesten houden'. Dreigend staan de twee misvormde wezens tegenover elkaar. Rook komt uit hun neusgaten. Voor een moment is het doodstil. Dan klinkt er een zacht gehuil. De kleine prinses is wakker geworden. Zwijgje en Houwjebek grommen kwaadaardig en dribbelen op een drafje terug de grot in.
Ze zijn hun belachelijke ruzie alweer vergeten. ' De pret kan beginnen', zegt Houwjebek. Hij grijpt de baby bij een van haar beentjes en houd haar in de lucht. Het arme kind hangt huilend op haar kop terwijl Zwijgje smachtend naar het tweetal kijkt. Het kwijl druipt van haar gebobbelde drakenlippen. Dan valt er iets op de grond. Het maakt een rinkelend geluid.
Zwijgjes ogen beginnen direct te glinsteren. Houwjebek gooit de baby achteloos op de bladerstapel in de hoek. Ze storten zich tegelijkertijd op het glinsterende voorwerp. Houwjebek probeert het als eerste te grijpen. Zijn poten zijn te lomp om het beet te pakken. Slijmerig zegt Zwijgje: 'zal ik het pakken, zoetje van me'.
Als het er op aan komt zijn, deze soort, draken zo egoïstisch dat ze ook elkaar af zullen vallen op momenten die hun gevoelige snaar raken. Goud is zo'n gevoelige snaar.
Eeuwenlang hadden ze dit al niet meer mogen aanschouwen, En nu ligt er een glimmend medaillon op de vloer. Dit had steeds verborgen gezeten onder het hemdje van de baby.
Zwijgje wordt zo week van dit kostbare sieraad dat ze op de grond zakt en de halve vloer onderkotst met bloederig slijm. Houwjebek schreeuwt: 'raap nou op, domme doos'. Snel grist ze het voorwerp van de grond en hobbelt naar buiten met de hete adem van Houwjebek in haar nek. Onhandig houd ze het in de eerste stralen van de zon die voorzichtig door de mist breekt. 'Wrraaabroehaaaaaaa', zegt Houwjebek.' Oeehhhoeoerrrrrrrrrrrrr' zegt Zwijgje.
Dan blijft het een hele tijd doodstil. Kwijlend en smachtend kijken ze naar het bungelende medaillon dat schittert in de zon. Na een hele lange tijd laat een van de kraaien, die belangstellend het vreemde tafereel heeft bekeken, van verbazing het kwartje dat hij ergens had gejat uit zijn bek vallen. Als het kwartje voor zijn neus op de grond valt zegt Houwjebek: 'deze baby moet wel een prinsesje zijn. Haar vader en moeder zullen haar zoeken'. Zwijgje begint gorgelend te schuddebuiken. Ze kan bijna niet meer uit haar woorden komen en komt adem te kort: ' nog meer mensen, wat een lol kunnen we hieraan nog beleven'. Ze waggelt naar binnen om het kindje te halen.
Houwjebek schreeuwt haar achterna: ' dom blondje, we kunnen goud vragen in ruil voor het kind. We moeten het in goede staat houden'. Hij blaast een zwarte rookwolk naar Zwijgje en grijpt met zijn tanden het medaillon uit haar poten en hangt het aan de hoogste spijker in de grot, waar Zwijgje niet bij kan. ' Hou dat kind een beetje warm', zegt hij tegen zijn vrouw, 'ik ga eten halen'.
Als hij weg is probeert Zwijgje, nadat ze het kind in oude doeken heeft gewikkeld, de ketting te pakken door ernaar te springen. Dat lukt niet. Haar kwabben blubberen op en neer en ze snakt naar adem. Piepend blijft ze in een hoekje liggen.
Ze bedenkt dat ze maar beter samen kan werken met Houwjebek. Zonder hem zou ze ook niet kunnen leven.
Deze drakensoort kan niet lang zonder partner leven, ze moeten elkaar blijven voeden met boze plannetjes en wraakzuchtige neigingen. Zo krikken ze elkaar op. Als ze alleen gevoed worden door hun eigen ellende drogen ze langzaam (dit kan jaren duren) van binnenuit op tot er enkel een verschrompelt velletje overblijft. Als ze bij elkaar blijven is wel de consequentie dat ze nog een ietsepietsie menselijk gevoel over houden.
Mijlen, mijlen verderop draven in een ritmische cadans vier koninklijke ruiters door het bos. Ze zijn getooid in zilveren harnassen. Een van hen is anders gekleed, hij draagt een harnas van goud. Hij kijkt koortsachtig om zich heen. Voor zijn ogen het beeld van zijn prachtige eerstgeborene in de armen van zijn mooie vrouw.
Koning Jan- Eerlijk is een speurtocht begonnen, op zoek naar een spoor van zijn dochter en naar het spoor van vogel Pech.
Ongeluksvogels hebben vaak last van veeruitval. Ze zijn eigenlijk altijd in de rui. Voor de zoekers naar de kinderen die ze soms ontvoeren is dit een voordeel. Ze moeten op zoek gaan naar de blauwe veren. Natuurlijk moet men wel rekening houden met Jan de wind, die er van houd om met jan en alleman een spelletje te spelen. Een veertje is zo een mijl verplaatst.
De ruiters volgen hem, in volle galop. Het loopt al tegen de middag en ze hebben nog niet gerust. Koningin Harmonique heeft de zadeltassen gevuld met lekkernijen. De koning lijkt echter geen honger of dorst te voelen. Onverstoorbaar, met zijn scherpe blik gefocust op alles wat anders is, rijdt hij onvermoeibaar voort. Een van de ruiters stuurt zijn paard in de richting van de koning, tot hij ernaast rijdt. 'Majesteit, mijn mannen zijn vermoeid en hongerig, laat ons een weinig rusten'. De koning fronst even met zijn wenkbrauwen en knikt dan peinzend.
' Even dan, even maar'. Ze rusten uit op een open plek langs een klein stromend beekje. Koning Jan- Eerlijk loop rusteloos, op een stukje brood kauwend, heen en weer. Dan krijgt hij de kraai in de gaten die al een tijdje boven hun hoofd aan het heen en weer vliegen is.
De kraai maakt geen geluid, dat kan hij niet omdat hij een blauw veertje in zijn snavel heeft. De ogen van de koning lichten heel even op. ' We gaan verder, dit is het eerste teken van mijn dochter'. Een traan rolt uit zijn oog. Maar dat zien de ridders niet. Met nieuwe moed en volle maag, behalve de koning, trekt de groep verder het land in.
Langzaamaan wordt de bebossing minder en verschijnen er meer grote rotsen in het landschap.
Houwjebek is op jacht naar voedsel, naar wilde varkens om te kelen, te roosteren en op te vreten. Als hij eraan denkt moet hij al watertanden. Dan bedenkt hij zich dat die kleine, verwende prinses dat vast niet zal lusten. 'Melk, een baby drinkt melk', mompelt Houwjebek.
Ook drakenbaby's drinken melk. Al lijkt deze melk in geen velden of wegen op mensenmelk.
Drakenmelk is scherp, bitter en heet als kolen. Als een drakenkind van deze soort nog geen melk heeft gedronken is het in en in goed. Er schuilt dan nog geen greintje kwaad in. Bij de eerste druppel drakenmelk wordt alle goedheid weg geschroeid en bij elke volgende slok verandert het lieve draakje in een boosaardig wezentje, al kan hij nog niet tippen aan zijn gewelddadige ouders. De appel, of in dit geval de draak, valt niet ver van de boom.
Na een hele poos gesjokt te hebben ziet hij op de top van de berg een paar berggeiten klauteren.
Hij blaast een grote rookwolk naar de mekkerende dieren die bewusteloos neervallen.
Houwjebek veegt ze bij elkaar en stopt ze onder zijn bezwete oksel. Onderweg grijpt hij nog even snel een snuffelend everzwijn bij de keel, en neemt een sprintje naar de grot. Hij ziet de blauwe veren die een spoor vormen naar de drakengrot niet. Daarvoor heeft hij teveel drakenslijm op zijn netvlies.
Zwijgje zit uitgezakt voor de ingang van de grot het kind te wiegen. Houwjebek bindt de dieren vast en barst in brullen uit om dit bespottelijke gezicht. Zwijgje brult terug: ' tja ik moet toch wat, ik werd gek van het gekrijs, nu is ze tenminste opgehouden. Mijn eerste plan was om erbovenop te gaan zitten, maar ja dan kunnen we dat goud wel vergeten'. 'Vrouw', zegt Houwjebek 'geef dat kind nu maar te eten'. Zwijgje pakt een geit uit de kudde.
Ze rukt wat aan de uiers en zowaar komt er een straaltje melk uit. Ze rolt de bak eronder en laat deze vol lopen. Dan houd ze de bak bij de mond van het kind. Ze giet de melk in het roze gezichtje.
De baby hoest en slikt maar krijgt niets binnen. Woedend trapt ze de geit, zodat hij een paar meter door de lucht vliegt. Dan pakt ze de punt van de doek en doopt die in de melk en dan in de mond van de kleine. Deze begint gulzig te sabbelen. Ze kan een glimlach niet onderdrukken.
Toch doet ze het meteen omdat Houwjebek het tafereeltje met scherpe blik aan het bekijken is.
'Ouwe oma', zegt Houwjebek, pas maar op dat je haar niet gaat missen als haar lieve papa haar komt zoeken'. Zwijgje wordt rood onder haar groene schubben en mompelt: 'hou toch je muil, Houwjebek'.
De avond valt met haar heldere sterrendeken over het droefgeestige landschap. Koning Jan- Eerlijk rijdt door, stapvoets.
Hij voelt de zwaarte van de nacht op zijn schouders drukken. Hij weet dat hij moet rusten, maar in zijn hart voelt hij enkel rusteloosheid.
Zijn mannen volgen hem onvoorwaardelijk, al zien ze geen hand voor ogen. Tot ze bij een rivier aanbelanden. De sterren weerspiegelen in het water. ' We gaan rusten' zegt de koning. Koning Jan- Eerlijk houd de eerste wacht. Hij kan toch niet slapen. De mannen maken een vuur en vallen één voor één in slaap.
Ze zijn omhuld door het duister. De rivier kabbelt gestaag voort en brengt de mannen hun dromen. Morgen gaan ze weer verder. De koning wacht op het uur van de eerste zon.
Ook de draken maken zich klaar om te gaan slapen. Zwijgje heeft de baby onhandig in een smerige doek gewikkeld. Stiekem heeft ze genoten van het voeden van het mensenkind dat nu tevreden ligt te pruttelen. Het herinnert haar vaag aan een tijd dat ze zelf een drakenkind had.
Ze draait van haar ene zij op de ander en schuurt tegen Houwjebek aan. Hij is al in een diepe slaap gedompeld en droomt over dikke vette everzwijnen. Zwijgje zucht diep, dikke stoom uitpuffend en staart met haar uitpuilende ogen in het donker van de nacht.
De volgende morgen wordt ze wakker als de zon al boven de drakengrot staat. Ze hoort Houwjebek met zijn schorre stem een afschuwelijk lied zingen. De baby is nergens te bekkenen en buiten brand een groot vuur. Zwijgje staat bliksemsnel op. Alsof ze peper in haar drakenkont heeft. ' Als Houwjebek zulke liederen zingt is er stront aan de knikker' denkt ze. Houwjebek staat buiten met zijn rug naar het vuur. Hij wiegt met zijn kont heen en weer. In zijn vuisten een lange stok met daaraan vast gebonden de baby die met haar mondje open boven de vlammen hangt. Door het gebrul van Houwjebek kan Zwijgje het gehuil van de baby haast niet horen. Houwjebek begint te lachen als een bezetene.
Hij maakt een rondedans, uitzinnig van vreugde. Dan opeens ziet hij Zwijgje. Van schrik laat hij de stok los. Zwijgje kan hem nog net opvangen.
Dan is er een moment van doodse stilte, alleen het vuur knettert verontwaardigt. Een gitzwarte rookwolk komt uit de neusgaten van Zwijgje. Ze blaast recht in het gezicht van Houwjebek. Weer is het een moment stil. Houwjebek begint te rochelen en te hoesten. Hij valt op de grond en hoest zijn geblakerde longen uit zijn lijf. Zwijgje draait zich resoluut om en verdwijnt met het kind in de grot en pakt een kommetje melk.
Zoals ik al eerder zei hebben draken, als ze bij elkaar blijven, nog iets van menselijk gevoel. Houwjebek staat in de drakengeschiedenis echter bekend als zeer onbetrouwbaar.
Als mannetjesdraken vuur maken kunnen zij buiten zinnen raken en alles vergeten en komen zo tot de meest gruwelijke daden. Vandaar dat ook de meeste gemene drakenplannen met vuur gemoeid gaan. Gelukkig heeft dit keer Zwijgjes moederinstinct het mensenkind gered.
De weinige haartjes van het blonde prinsesje zijn weggeschroeid en haar gezichtje is zwart van het roet. Zwijgje pakt een emmer met water en maakt het kind, op haar manier, schoon. De rest van het water gooit ze snel op het vuur.
Ze schreeuw tegen Houwjebek: ' laat je liever verblinden door het goud, sukkel eerst klas dat je bent'. Houwjebek zegt niets, hij snakt nog steeds naar adem.
De eerste zonnestralen vallen door het gebladerte waaronder de mannen van Jan- Eerlijk zich te rusten hebben gelegd. De koning loopt nog steeds onrustig op het bedauwde gras. Donkere wallen onder zijn ogen. Hij hoest luidruchtig en één voor één worden zijn mannen wakker. Ze rekken zich uit en maken vuur. Ze zien dat hun koning haast niet kan wachten. Na een kort maal tuigen ze hun paarden op en vervolgen de rit.
De stralen van de zon prikken steeds heviger in hun huid. Het zweet parelt langs hun slapen. Het landschap wordt steeds grimmiger.
Bij een klein, diepblauw meer besluit de koning even te rusten. Hij kan zijn ogen haast niet meer open houden. Dan valt hij in een onrustige slaap.
Voor zijn geestesoog verschijnt een slanke vrouw, met lange glanzende haren en heldere groene ogen. 'Vader, zoek mij, kijk naar boven en opzij. Ik moet een wanhoopskreet slaken, ik ben bij de draken. Zoek naar de blauwe veren om mij te vinden, maar wees op uw hoede. Slaap nu maar papaatje, slaap maar....' Een nevel trekt voor zijn oog een donkere wolk vertroebelt zijn beeld, in zijn neus een geur van as... 'Nee mijn roosje, nee, ga niet weg.....'
Een paar verschrikte ogen staan over hem heen gebogen. 'Het was maar een droom, majesteit'.
Hij staat direct op en wast zijn gezicht in de beek. Hij hoeft niets te zeggen, zijn trouwe dienaren volgen hem. Het landschap wordt steeds grimmiger. Opeens roept een van zijn mannen: 'koning, hier op de grond liggen een paar blauwe veren, we zijn op de goede weg'. De koning knikt hem vriendelijk maar gejaagd toe. Ze geven hun trouwe paarden de sporen.
Draken kunnen van mijlen afstand mensenvlees ruiken, ze worden er hysterisch van. Het gaat als jeukpoeder in hun poriën zitten. Knettergek worden ze ervan. Maar wel minder scherp en dat is een pluspuntje voor de koning.
Houwjebek ligt voor de ingang van de grot te stinken. Zijn dikke drakenreet neemt de gehele ingang van de grot in beslag. Hij heeft zijn ogen wijd open en kijkt recht in de zon. Uit al zij poriën komt stoom. Zwijgje is de resten as met haar enorme zwabberpoten bij elkaar aan het harken.
De baby ligt op veilige afstand van Houwjebek in een half vergaan rieten mandje, dat Zwijgje ergens heeft gevonden en waar Houwjebek haar wederom om uitgelachen heeft.
Het kan haar niets schelen. Het medaillon weerspiegelt de stralen van de zon op haar gezicht. Haar ogen glinsteren. Maar niet door het medaillon. Ze is opgehouden met vegen en kijkt naar het meisje dat tevreden op haar duimpje zuigt. Houwjebek kijkt met toegeknepen oogjes naar het tafereeltje en gromt van ingehouden woede en jaloezie. Hij zou het kind het liefst terplekke rauw opeten. Het medaillon heeft gelukkig haar kracht nog niet verloren en schittert voorlopig alle woede weg.
Haar vader is vast een koning, met heel veel goud.........
Dan opeens steekt hij zijn lelijke kop in de lucht en snuift en snuift met diepe halen en laat dan een oorverdovend gebrul horen.
Zwijgje laat van schrik het kind een stukje uit haar handen vallen, dan steekt zij ook haar kop in de wind en slaakt een ijselijke gil. Gauw legt ze de slapende baby op de stapel vodden. De ogen van beide draken zijn doorlopen van bloed: 'mensenvlees, ik ruik volwassen mensen, ze komen het kindje halen'. Van gekheid weten ze niet wat ze doen moeten en maken een wervelende rondedans op de open plek voor de grot.
Het landschap is nu pas echt grimmig geworden op een paar kale struiken na is er nauwelijks leven. Er moet ook geklommen worden. De paarden stappen dapper maar langzaam voort. Tergend langzaam als je het de koning vraagt. Jan- Eerlijk heeft zijn mannen de avond voor deze barre tocht gewaarschuwd voor dit duistere land en het gerucht dat er hier ook draken wonen. De ridders geloven er niet in maar hebben toch hun wapenuitrusting geïnspecteerd. De koning weet ook dat draken gek zijn op goud, dat kan nog van pas komen. Hij hoopt dat zijn dochter nog leeft en spoort zijn paard nog eens extra aan. Hij moet er niet aan denken.
Terwijl ook de kale struiken uit het landschap verdwijnen ziet hij het beeld van zijn prachtige vrouw die zijn dochter in haar armen wiegt. Hij maant zijn mannen te stoppen en bij toerbeurt te waken en valt in een onrustige slaap.
De draken kunnen niet meer slapen, hun wrede harten kloppen hevig. Houwjebek heeft tegen Zwijgje gezegd dat ze de baby niet meer mag wassen, hoe erger ze er uit ziet hoe beter ze de koning zijn goud, en misschien ook mannen afhandig kunnen maken. Ze denken er niet bij na dat ze net zo goed alles in kunnen pikken als de koning er eenmaal is. De geur van goud en mensenvlees maakt hun geest verward. Goud is voor hen uiteindelijk van geen enkele waarde maar zoals dat bij vele ego's gaat beseffen de draken dat niet en smeden ze hun belachelijke plannen.
Als de ochtend langzaam wakker wordt zijn de domme draken uiteindelijk in een halve slaaptoestand terechtgekomen. Ze worden echter wakker van een hele scherpe doordringende geur. Het kind heeft een enorme poep gedaan en Zwijgje wordt kokhalsend wakker, geel slijm ophoestend. Houwjebek brult.
Intussen zijn ook de mannen verder getrokken. Ze worden opeens opgeschrikt door een gebrul. Er schiet een rilleng door het koninklijke lijf van Jan- Eerlijk. Draken, ...dus toch.
Hij maant zijn mannen een rotsblok te zoeken om zich zo goed en kwaad achter te verschuilen.
Met zijn hoofdman sluit hij de heuvel op, in de richting van het gebrul.
Zwijgje houd de baby hoog in de lucht en met afgewend hoofd sleept ze de baby aan beide armen door een plas voor de grot. Laat toch zitten, roept Houwjebek die ook wakker is geworden van de stank. De stank van de poep van de baby heeft de sterke mensengeur overtroffen.
Opeens houdt de steile heuvel op. 'Ssst'. Roept de koning. Hij maant de hoofdman op zijn buik te gaan liggen. 'Kijk, kijk daar benden'. De draken lopen daar mopperend in het rond met in de hoek een besmeurd bundeltje wat hartverscheurend huilt. 'Dddddddat is ze. Mijn meisje'. Met moeite onderdrukt de koning zijn tranen. Wat moeten ze doen om haar te redden.
De koning heeft direct een plan. Ze sluipen terug naar de rest van de mannen, pakken de kist met goud. Terwijl de hoofdman boven op de grot, want dat is de top van de heuvel, zit, sluipt de koning naar beneden. De koning weet dat er niet te onderhandelen valt met draken en dat de kans groot is dat ze zijn mannen met huid en haar op zullen eten als dat het eerste is wat ze zien.
Hij heeft de hoofdman geïnstrueerd de kist naar beden te laten vallen waardoor de draken afgeleid zullen worden en zich op de kist storten, Hij heeft hem goed afgesloten en er voor het effect er een gouden ketting laten uitsteken om het fanatisme van de draken aan te wakkeren. Maar hij heeft er verder stenen in gedaan! Zo slim is de koning wel.
Hij sluipt op kousenvoeten naar beneden en is slecht een paar voetstappen verwijderd van zijn meest kostbare bezit.
Opeens steekt Houwjebek zijn knoestige drakenkop in de lucht en haalt diep reutelend adem, terwijl hij fluimen bruine drab op de grond spuugt schreeuwt hij, gek van woede: 'mensenvlees, zo walgelijk dichtbij, vrouw we moeten alert zijn'.
Op dat moment klinkt er een harde knal. De kist valt op de grond. De draken zien het geschitter en duiken op de buit. De koning grist het bundeltje van de grond en houdt het, dicht tegen zich aangedrukt en rent naar zijn mannen. Ze peren hem in volle galop, zogoed en zo kwaad als het kan in het stenen landschap.
De draken weten niet wat er om hen heen gebeurt.
Ze rukken aan de kist en schelden elkaar uit voor de allerergste ziektes. Ze trekken aan de gouden ketting en, nadat deze gebroken is, ook aan het stevige slot.
Zwijgje staat beteuterd te hijgen met de kapotte ketting in haar hand, terwijl Houwjebek de kist optilt en bij zijn drakenoor heen en weer schudt. Dan wordt kleurt hij rood van top tot teen, onder zijn drakenschubben.
Het gebrul dat weerklinkt doet de grond trillen, de vogels vluchten en de stenen sidderen.
Hij schreeuwt zijn walgelijke adem uit tot hij hees is. Nog nauwelijks verstaanbaar fluistert hij, naar het lijkt naar uren: 'we zijn beetgenomen, dit klinkt niet naar goud'. Zwijgje staat nog steeds verstijfd van schrik met het kapotte sieraad in de hand. Haar muil kwijlend open van schrik
Houwjebek komt weer in actie. Hij pakt de kist en gooit deze met grof geweld tegen de stenen rotswand. Er klinkt gekraak, de kist blijft echter gesloten. Dit maakt Houwjebek nog kwader. Met zijn enorme zwabbergewicht laat hij zich, als een worstelaar, op de kist vallen. Het drakenbloed vliegt in het rond, doordat hij door zijn blinde woede op de punt laat vallen. Weer klinkt een hevig gekraak en een schreeuw van pijn. De kist valt open. Houwjebek blijft kermend liggen. Dan valt er een doodse stilte. Uit de kist rollen een paar grijze kiezelstenen. Zwijgje slaakt een zenuwachtig gilletje en zakt dan door haar dikke knieën. Dan huilt ze, schreeuwt ze hartverscheurend met in haar poot nog steeds de ketting. Ze kijkt zoekend om zich heen. De baby is nergens te bekennen. Houwjebek ligt in een plasje bloed. 'Beetgenomen, beetgenomen' is het enig dat hij nog kan fluisteren. Zwijgje is naar de ingang van de grot geslopen en houd het hemdje van de mensenbaby die haar ontnomen is voor haar ogen om haar tranen tegen te houden.
Koning Jan- Eerlijk weet niet hoe snel hij weg moet komen.
Hij weet dat zijn mooie vrouw aan het weg kwijnen is en kan niet wachten tot hij hun dochter in haar blanke armen kan leggen.
Dan hoort hij boven zijn hoofd een hard gelach en een blauwe veer dwarrelt naar beneden. Hij maant zijn mannen tot rust. Vogel Pech vliegt boven het hoofd van de stoet. Koning Jan- Eerlijk wordt dan zo kwaad dat hij hele lelijke dingen zegt. Dan beseft hij weer dat hij zijn kostbaarste bezit in handen heeft en negeert de vogel. Hij maakt ook direct een plan in zijn hoofd, hij wil niet dat er nog meer kinderen worden ontvoerd. Dan laat hij zijn mannen rusten en hij weet dat hij zelf ook rust nodig heeft. Ze zijn nu ver genoeg verwijderd van de boosaardige draken. Zijn dochter voedsel nodig heeft en iets warm om aan te trekken. Zijn vrouw heeft hem de spullen meegegeven.
Na enkele dagen arriveren ze bij het paleis. Koningin Harmonique heeft alle dagen voor het venster gezeten, gewacht op de terugkomst van haar man. Wat hoopte zij dat hij hun eerstgeborene bij zich zou hebben. Haar ogen worden groter als ze paardengetrappel hoort en Koning Jan- Eerlijk in haar vizier verschijnt. Dan knijpt ze haar oogleden tot spleetjes. Ze krijgt een weeïg gevoel in haar buik. Ze kan het niet geloven. Tranen branden achter haar ogen als ze ziet wat haar lieve man in de lucht omhoog houdt. Haar meisje, haar prinsesje.
Ze holt de oprijlaan op. Ze rent in de ramen van haar man, die inmiddels is afgestapt en kust haar kleintje, die nat wordt van de tranen.
Mijlenverder in een droefgeestig landschap, bij een zwartgeblakerde drakengrot, ijsbeert een woedende drakenman voor de grot heen en weer en zit een drakenvrouw jammerend ineengedoken met een babyhemdje in haar schurftige poten.
Laatste reacties